Conclusie A-G IJzerman 27 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:231

Belanghebbende was gedurende het heffingstijdvak eigenaar van een personenauto. Het kentekenbewijs dat voor de auto is afgegeven was op aanvraag van belanghebbende geschorst. Tijdens de schorsing is door de justitiële autoriteiten geconstateerd dat op 12 maart 2010 met de auto gebruik zou zijn gemaakt van de weg. In verband hiermee is aan belanghebbende een (eerste) naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting met boete opgelegd over het onderhavige tijdvak van 23 mei 2009 tot en met 22 mei 2010. Nadat twijfel was ontstaan over de juistheid van de informatie van de justitiële autoriteiten omtrent gebruik van de weg op 12 maart 2010, heeft de Inspecteur de eerder genoemde (eerste) naheffingsaanslag ingetrokken, blijkens zijn brief aan belanghebbende van 5 november 2010. Vervolgens heeft de Inspecteur over hetzelfde tijdvak een tweede naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting met boete opgelegd, thans omdat hij informatie had verkregen van de justitiële autoriteiten dat op 23 april 2010 met de auto gebruik was gemaakt van de weg. De tweede naheffingsaanslag (met dagtekening 24 december 2010) heeft de Inspecteur aangekondigd bij brief aan belanghebbende van 8 december 2010. Ten tijde van de intrekking van de eerste naheffingsaanslag was de Inspecteur reeds op de hoogte van de constatering dat op 23 april 2010 met de auto gebruik van de weg was gemaakt. In geschil is of de Inspecteur onder deze omstandigheden zo mocht naheffen en daarmee of de tweede naheffingsaanslag mocht worden opgelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat de constatering van het gebruik van de weg op 23 april 2010 meebrengt dat de eerste naheffingsaanslag in stand had moeten blijven en dat voor de tweede naheffingsaanslag over hetzelfde tijdvak onder de gegeven omstandigheden rechtens geen ruimte bestaat. De Staatssecretaris bestrijdt dit oordeel in cassatie. De A-G merkt op dat de naheffingsbevoegdheid als voorzien in artikel 20 AWR als wettelijk uitgangpunt moet worden gezien. Ten aanzien van dat artikel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen wettelijke bepaling de bevoegdheid van de Inspecteur beperkt tot het opleggen van naheffingsaanslagen in dier voege dat over hetzelfde tijdvak in dezelfde belasting slechts een naheffingsaanslag mogelijk is. De onderhavige naheffingsaanslagen zijn opgelegd op grond van artikel 35 van de MRB. Dat artikel wijkt af van het bepaalde in artikel 20 van de AWR in die zin dat de mogelijkheid van naheffen is gekoppeld aan een anders geformuleerde omstandigheid dan het niet betaald zijn van de in een of meer bepaalde tijdvakken verschuldigde belasting, te weten de omstandigheid dat wordt geconstateerd dat met een motorrijtuig gebruik is gemaakt van de weg tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. De A-G wijst erop dat er in casu geen sprake is van het opleggen van twee naheffingsaanslagen naar aanleiding van dezelfde constatering. Aan de naheffingsaanslagen liggen immers twee verschillende constateringen van het gebruik van de weg ten grondslag. Het gaat derhalve om twee inhoudelijk verschillende naheffingsaanslagen. Dat beide naheffingsaanslagen betrekking hebben op hetzelfde heffingstijdvak, als forfaitair berekend ingevolge artikel 35, lid 2, van de MRB, maakt dat niet anders. De A-G meent dan ook dat de Inspecteur naar aanleiding van de tweede constatering een nieuwe naheffingsaanslag mocht opleggen. Overigens vraagt de A-G zich af of de Inspecteur dit niet alleen zo mocht doen, maar dat zelfs moest. Het Hof heeft in r.o. 7.5 overwogen dat de eerste naheffingsaanslag, gelet op de tweede constatering en ervan uitgaande dat die constatering verschuldigdheid van motorrijtuigenbelasting tot gevolg heeft, in stand had moeten blijven. De A-G betwijfelt dat echter. De eerste naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van het gebruik van de weg met de auto op 12 maart 2010. Aangezien later is gebleken dat dit gebruik niet aannemelijk kon worden gemaakt, is daardoor de grondslag ontvallen aan de eerste naheffingsaanslag, zodat die, naar de A-G meent, moest worden ingetrokken. Vervolgens moest om te kunnen naheffen wegens het nieuwe gegeven van gebruik van de weg op 23 april 2010 een nieuwe naheffingsaanslag worden opgelegd, in casu zijnde een tweede naheffingsaanslag over hetzelfde heffingstijdvak. Overigens ziet de A-G niet in hoe de Inspecteur door de oplegging van die tweede naheffingsaanslag in strijd zou hebben gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Het enkele gegeven dat een over een bepaald tijdvak opgelegde naheffingsaanslag door de Inspecteur is ingetrokken, geeft volgens de A-G geen grond voor te beschermen vertrouwen dat geen nieuwe naheffing als gebaseerd op een nieuwe omstandigheid, zal volgen over (een deel van) hetzelfde heffingstijdvak. Dat de Inspecteur in casu ten tijde van de vernietiging van de eerste naheffingsaanslag reeds op de hoogte was van de tweede constatering dat met de auto gebruik was gemaakt van de weg en ook al wist dat hij dat feit ten grondslag zou leggen aan een tweede op te leggen naheffingsaanslag, brengt volgens de A-G niet mee dat sprake is van onzorgvuldig handelen door de Inspecteur. Het middel van de Staatssecretaris slaagt aldus. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken