Conclusie A-G Wattel 20 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:228
Gevolgen van HR BNB 2012/69. Wettelijke rente ex art. 4:97 Awb over tardieve heffingsrente? Welke rechter? Bestuursrechtelijke geldschuld? Verzuim? Geldt in het belastingrecht een ‘andere regeling’ die afdeling 4.2.2 Awb uitschakelt? Feiten: Op 31 januari 2007 is aan de belanghebbende een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2007 opgelegd die op 22 augustus 2009 door de Inspecteur ambtshalve is verminderd. De belanghebbende heeft toen verzocht om vergoeding van heffingsrente, die de Inspecteur heeft geweigerd. Daartegen heeft de belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de inspecteur pas na het wijzen van HR BNB 2012/69 op 30 september 2011 gegrond is verklaard. Op 21 december 2011 heeft de inspecteur alsnog een beschikking heffingsrente genomen. Op dezelfde dag is de heffingsrente aan de belanghebbende vergoed. Geschil: In geschil is (i) of over de heffingsrente wettelijke rente is verschuldigd ex art. 4:97 Awb wegens verzuim van de fiscus en zo ja, (ii) naar welk bedrag. De Rechtbank meent dat de Inspecteur met vergoeding van heffingsrente in verzuim was vanaf 4 oktober 2009 (zes weken na 22 augustus 2009) tot de uitbetaling (21 december 2011). Omdat voor belanghebbendes geval geen ‘andere regeling’ in de zin van art. 4:103 Awb is getroffen in de AWR of enige andere wet, is afdeling 4.2.2 Awb van toepassing. De Inspecteur moet ex art. 4:98(1) Awb wettelijke rente over de heffingsrente vergoeden op basis van art. 6:119(1) en (2) en 6:120(1) BW over de periode 4 oktober 2009 tot 21 december 2011. Cassatiemiddel Staatssecretaris: de Rechtbank heeft (i) ten onrechte de verzuimregeling van de Awb toegepast; omdat art. 4:103 Awb (‘deze afdeling is niet van toepassing indien bij de wet een andere regeling (…) is getroffen’) die verzuimregeling uitschakelt ten gunste van de voor het belastingrecht exclusief geldende heffings-, invorderings- en coulance-renteregelingen en (ii) ten onrechte geoordeeld dat de Inspecteur al vanaf 4 oktober 2009 in verzuim was, nu de betalingsverplichting pas met HR BNB 2012/69 ontstond. Incidenteel beroep belanghebbende: de Rechtbank heeft ten onrechte (i) art. 6:119 BW (niet-handelsschulden; circa 4%) toegepast (het zou art. 6:119a BW over handelsschulden – circa 8% – moeten zijn) en (ii) art. 4:92 Awb (toerekening van betalingen) niet toegepast. A-G Wattel onderzoekt eerst welke rechter bevoegd is, nu die bevoegdheid van openbare orde is. Nu de beschikking wettelijke rente is gevraagd in verband met een ingevolge de belastingwet genomen besluit waartegen bezwaar en beroep op de belastingrechter openstaat (nl. de beschikking heffingsrente), moet de beschikking wettelijke rente worden voorgelegd aan de belastingrechter. De A-G baseert zich op art. 4:125 jo. 4:99 Awb (de grondslag voor de beschikking wettelijke rente), en de vergelijkbare gevallen HR BNB 2014/42 (dwangsombeschikking) en ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0722. Principaal onderdeel (i): A-G Wattel constateert dat sprake is van een bestuursrechtelijke geldschuld en van een verzuim in de zin van afdeling 4.2.2 Awb, en dat de heffings-, invordering- en coulancerenteregelingen geen exclusieve speciales zijn in de zin van art. 4:103 Awb omdat de AWR en de Invorderingswet niet zien op rentenadeel als gevolg van het niet-vaststellen (en daardoor niet-tijdig voldoen) van heffingsrente, en de coulanceregeling geen formele wet is en bovendien kennelijk evenmin van toepassing, nu de fiscus haar niet toepast. Mede uit HR BNB 2013/2 volgt dan dat teruggevallen wordt op de algemene regeling, in casu afdeling 4.2.2 Awb. De A-G meent dat het eerste middelonderdeel faalt. Ad onderdeel (ii) meent A-G Wattel dat niet HR BNB 2012/69 de verplichting tot vergoeding van heffingsrente deed ontstaan. Dat arrest stelde slechts vast dat die verplichting reeds bij de ambtshalve vermindering op 22 augustus 2009 ontstond, zodat de Inspecteur – ex art. 2(2)(e) jo. 9(3) jo. 9(1) IW jo. art. 9.6 Leidraad Invordering 2008 – zes weken daarna (4 oktober 2009) in verzuim geraakte. Ook het tweede middelonderdeel faalt daarom. Incidenteel ad (i) constateert A-G Wattel dat art. 4:98(1) Awb voor de berekening van de wettelijke interest verwijst naar de artt. 6:119(1) en (2) en 6:120(1) BW (niet-handelsschulden), en niet naar art. 6:119a BW (handelsschulden) en dat het overigens niet om een handelsschuld zoals omschreven in art. 6:119a BW gaat. Dat in de verhouding tussen ondernemers en fiscus sinds 2013 wél de handelsschuldenregeling geldt, stelt juist in het licht dat zij daarvóór niet gold. Ad (ii) meent de A-G dat het oordeel van de Rechtbank niet uitsluit dat art. 4:92 Awb wordt toegepast bij de berekening van de te vergoeden wettelijke rente. Dat oordeel houdt slechts in dat wettelijke rente vergoed moet worden over de hoofdsom. Dat kan heel wel mét inachtneming van art. 4:92 Awb. Conclusie: beide cassatieberoepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 26 AWR
- Artikel 27 AWR
- Artikel 30f AWR
- Artikel 30j AWR
- Artikel 65 AWR
- Artikel 67c AWR
- Artikel 9 Wahv
- Artikel 9 IW
- Artikel 6:44 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:119a BW6
- Artikel 6:120 BW6
- Artikel 3:45 Awb
- Artikel 4:17 Awb
- Artikel 4:18 Awb
- Artikel 4:19 Awb
- Artikel 4:85 Awb
- Artikel 4:86 Awb
- Artikel 4:87 Awb
- Artikel 4:92 Awb