Conclusie A-G van Hilten 25 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2234

Belanghebbende heeft aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van drie auto’s uit Japan. Na ontvangst van de uitnodigingen tot betaling heeft zij de verschuldigde douanerechten betaald. Bij twee van de auto’s zijn in het tweede respectievelijk derde jaar na invoer defecten geconstateerd en op basis van garantieverplichtingen op kosten van de Japanse verkoper/fabrikant gerepareerd. Bij de derde auto is binnen een jaar na invoer in het kader van een terugroepactie uit voorzorg - eveneens op kosten van de fabrikant - een onderdeel vervangen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bij de aangiften voor het vrije verkeer van de auto’s als douanewaarde gehanteerde transactiewaarde moet worden verminderd met de reparatiekosten (respectievelijk de vervangingskosten) en heeft verzocht om terugbetaling van douanerechten. De Inspecteur heeft terugbetaling geweigerd. Deze procedure draait om de vraag of de voorwaarden die in artikel 145, leden 2 en 3, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW) worden gesteld aan aanpassing van de douanewaarde, in strijd zijn met het bepaalde in artikel 29, lid 1, onder a en lid 3, en/of artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) en om die reden buiten toepassing moeten blijven. Daarnaast speelt de vraag of de in artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW gehanteerde term ‘gebreken’ het geval omvat waarin uit voorzorg een onderdeel van een goed - in dit geval een auto - wordt vervangen. Rechtbank Noord-Holland oordeelde, onder verwijzing naar de bevoegdheid van de Europese Commissie en het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 19 maart 2009, Mitsui & Co, C-256/07, dat artikel 145, lid 2 en lid 3, van de UCDW verbindend is en dat een kans op een gebrek geen gebrek vormt in de zin van artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW. Na te hebben betoogd, dat het CDW voorrang heeft ingeval een bepaling uit de UCDW daarmee strijdig is, en na te hebben vastgesteld dat het HvJ moet worden geraadpleegd indien een nationale rechter van oordeel is dat een uitvoeringsbepaling in strijd is met een bepaling uit het CDW, gaat A-G Van Hilten in op de vraag of artikel 145, lid 2 en/of lid 3, van de UCDW in strijd is met het bepaalde in artikel 29 en/of artikel 236 van het CDW. Artikel 29 van het CDW bepaalt dat in beginsel de transactiewaarde van goederen als ‘douanewaarde’ geldt, dat wil zeggen de maatstaf van heffing van douanerechten vormt. De A-G is van mening dat het hierbij gaat om de tussen partijen overeengekomen (subjectieve) koopprijs voor een goed. Uit artikel 67 van het CDW leidt de A-G af dat het voor de bepaling van de transactiewaarde doorslaggevende tijdstip het tijdstip van aanvaarding van de aangifte is. Het kan echter voorkomen, aldus de A-G, dat de goederen bij binnenkomst in de Unie niet die ‘karaktereigenschappen’ hebben waarvoor de koper bereid was het overeengekomen bedrag te betalen (bijvoorbeeld goederen die beschadigd blijken te zijn). Indien de koper, tegen vermindering van de vergoeding (de goederen hebben immers een lagere waarde dan de oorspronkelijke transactiewaarde), genoegen neemt met de inferieure goederen, vloeit volgens de A-G rechtstreeks uit artikel 29 van het CDW voort dat in een dergelijk geval de douanewaarde moet worden verminderd. Óók als pas na de invoer de lagere prijs wordt overeengekomen: áls de aanleiding voor de prijsaanpassing maar kan worden gevonden in de (staat van de) goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte. Dát tijdstip is immers doorslaggevend voor de bepaling van de douanewaarde. Met betrekking tot de uitvoeringsbepaling van artikel 145 van de UCDW is de A-G van mening dat het tweede lid van dat artikel - wat betreft het vereiste dat op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte al iets ‘mis’ is met de goederen - niet in strijd is met hetgeen in artikel 29 van het CDW is bepaald. Het lijkt haar dat de geldigheid van het tweede lid wat betreft de daarin onder a geformuleerde voorwaarde staat of valt met de uitlegging van het daarin gehanteerde begrip ‘gebreken’. De A-G komt tot de slotsom dat het in artikel 145, lid 2, onder a (en c) gehanteerde begrip ‘gebreken’ zo moet worden uitgelegd dat het ook fabricagefouten als zodanig omvat (ruime uitlegging). Een interpretatie op basis waarvan alleen ‘echte’ defecten onder het bereik van de bepaling vallen, botst haars inziens met het bepaalde in artikel 29 van het CDW. Voor het onderhavige geval betekent dit dat de douanewaarde van de derde auto naar haar mening moet worden verminderd met het reparatiebedrag en dat aanleiding bestaat voor terugbetaling van de daarop drukkende douanerechten. Alhoewel zij redelijk zeker is van de juistheid van haar conclusie met betrekking tot de interpretatie van de ‘gebreken’ van artikel 145, lid 2, van de UCDW, geeft de A-G de Hoge Raad in overweging om een prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen over de uitlegging van dat begrip. Vervolgens gaat de A-G nader in op het derde lid van artikel 145 van de UCDW. Deze bepaling vereist voor aanpassing van de douanewaarde dat de verkoper de prijs vermindert binnen 12 maanden na de aanvaarding van de aangifte, ongeacht of de garantieperiode al dan niet langer doorloopt en mits bewezen is dat de gebreken die tot prijswijziging hebben geleid, ten tijde van de aanvaarding van de aangifte (verborgen) aanwezig waren. De A-G meent dat wat valt te zeggen vóór het geldig achten van de twaalfmaandstermijn, maar dat ook verdedigd kan worden dat die termijn niet gesteld mag worden omdat deze niet in overeenstemming is met het bepaalde in het CDW. Ook met betrekking tot dit punt adviseert zij de Hoge Raad het HvJ te verzoeken om uitsluitsel te geven. Ten aanzien van de ‘algemene termijn van drie jaar’ van artikel 236, lid 2, van het CDW, waarmee volgens belanghebbende artikel 145, lid 3, van de UCDW in strijd is, merkt de A-G op dat een vergelijking van artikel 145, lid 3, van de UCDW met artikel 236 van het CDW een vergelijking tussen appels en peren is; artikel 236 ziet op de termijn voor terugbetaling van niet wettelijk verschuldigde rechten, artikel 145, lid 3, van de UCDW betreft de termijn waarbinnen de verkoper de prijs van goederen moet verminderen, wil deze vermindering leiden tot een vermindering van de douanewaarde. Dat zijn verschillende grootheden. Het gaat er haars inziens dan ook louter om of de termijn van artikel 145, lid 3, van de UCDW in strijd is met artikel 29 van het CDW en om die reden terzijde moet worden geschoven. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken