Conclusie A-G Knigge 4 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1960

Cassatie in het belang der wet. Gelet op het bepaalde in art. 87.2 Sv heeft het Hof i.c. ten onrechte verdachte n-o verklaard in zijn h.b. tegen een beschikking houdende een afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis (VH). Het Hof had wel eerder een verzoek van vd tot schorsing van de VH behandeld, maar dat betrof een verzoek tot schorsing van de VH dat is gedaan in de raadkamer waarin het h.b. tegen de toewijzing van de vordering gevangenhouding werd behandeld, terwijl niet is gebleken dat de verdachte reeds gebruik had gemaakt van zijn in art. 87.2 Sv voorziene recht om eenmaal in h.b. te komen van een afwijzende beslissing door de Rb van een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de VH. O.g.v. art. 86 Sv is de rechter die hetzij in e.a. hetzij in h.b. over de voorlopige hechtenis beslist, bevoegd om op vordering van het OM, op verzoek van de verdachte of ambtshalve de VH te schorsen. Die bevoegdheid tot schorsing van de VH komt dus aan het hof niet alleen toe wanneer het is geroepen te beslissen inzake de VH nadat appel is ingesteld in de strafzaak zelve, maar tevens wanneer op de voet van art. 71 Sv h.b. is ingesteld tegen een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. Het hof is tevens bevoegd de VH te schorsen wanneer het o.g.v. art. 87.2 Sv in h.b. oordeelt omtrent de afwijzing van een verzoek tot opheffing van de VH.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken