Conclusie A-G IJzerman 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1861

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/05004 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbenden tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 12 september 2013, nrs. 12/00118 tot en met 12/00121, ECLI:NL:GHAMS:2013:2883. [X2] heeft in het jaar 2000 [X3], een trust naar het recht van de staat New York, opgericht en heeft daarin door inbreng onder trustverband vermogen afgezonderd. Het doel van de trust is het in stand houden en op termijn aanwenden van het vermogen ten gunste van de dochter van [X2], [X1]. [X1] heeft bij aangiften voor het recht van schenking over 2000 en 2001 het inbrengen van vermogen onder trustverband als schenkingen aangegeven. Ter zake zijn aanslagen opgelegd aan [X1]. Jaren later, op 31 maart 2010, hebben [X1] alsmede deze belanghebbenden de Inspecteur verzocht om vermindering en teruggaaf te verlenen van de eerdere aanslagen. Dat verzoek is door de Inspecteur afgewezen. De daartegen gerichte bezwaren zijn eveneens afgewezen. [X1] en belanghebbenden zijn vervolgens in beroep gekomen. De beroepen van belanghebbenden zijn door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard; daarin gevolgd door het Hof. Belanghebbenden komen in cassatie op tegen die niet-ontvankelijk verklaring. Belanghebbenden en [X1] hebben een gezamenlijk verzoek tot vermindering van eerder geheven schenkingsrecht gedaan. De Inspecteur heeft op het verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikkingen. door tenaamstelling gericht tot [X1]. Dat lijkt de A-G juist omdat ook de aanslagen zijn opgelegd ten name van [X1]. Op grond van artikel 26a, lid 1, aanhef en onder c, van de AWR kan slechts beroep worden ingesteld door ‘degene tot wie de voor de bezwaar vatbare beschikking zich richt’. Aangezien de onderhavige voor bezwaar vatbare beschikkingen niet zijn gericht tot belanghebbenden, konden zij daartegen volgens de A-G geen beroep instellen. De Rechtbank heeft die beroepen derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan artikel 26a, lid 2, van de AWR, waarin is bepaald dat ‘beroep mede kan worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft’, wordt hier niet toegekomen. Het gaat in casu immers niet om vermogensbestanddelen van belanghebbenden; deze behoren na inbreng voor de toepassing van de Nederlandse belastingheffing toe aan [X1], conform de conclusie van de A-G van heden in de zaak met belanghebbende [X1], nr. 13/04999. De omstandigheid dat de schenkingen zijn gedaan vrij van recht doet aan het voorgaande niet af, aangezien de vraag wie de aanslagen heeft betaald, in casu [X2], niet van invloed is op de tenaamstelling van de aanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken