Conclusie A-G Keus 3 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1801

In deze zaak, waarin de Hoge Raad bij tussenarrest van 24 februari 2012 (ECLI:NL:2012:BQ9210) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU, heeft het HvJ EU op 22 oktober 2013 een prejudicieel arrest gewezen. Aan de orde is thans het met inachtneming van het prejudiciële arrest te geven oordeel. Advocaat-generaal Keus adviseert de Hoge Raad het arrest van het hof Den haag te vernietigen. Daarbij speelt vooral een rol dat het hof weliswaar voor netbeheerders en buitenlandse investeerders belemmeringen van het vrije kapitaalverkeer heeft aangenomen, maar Essent zelf geen netbeheerder of buitenlandse investeerder is. Zij kan daarom niet met een beroep op art. 63 VWEU vorderen dat de rechter op grond van die belemmeringen de aangevochten bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet jegens hen onverbindend verklaart. Essent heeft zich niet alleen op art. 63 VWEU beroepen. Zij heeft in verband met de gedwongen splitsing ook een beroep gedaan op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het recht op eigendom beschermt. Tegen de afwijzing van de vordering m.b.t. art. 1 Eerste Protocol door de rechtbank heeft Essent echter geen grief gericht. Daarover heeft de Staat in cassatie niet geklaagd, maar dat is op zichzelf niet beslissend, nu het hof dat punt niet (duidelijk) als onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft aanvaard. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. Zie tevens de conclusies in de parallelle zaken 10/3852 en 10/03853.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken