Conclusie A-G van Hilten 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1798

Belanghebbende heeft een bindende tariefinlichting (hierna: bti) aangevraagd voor het product [het product]. In de aanvraag heeft belanghebbende verzocht om indeling als ‘afvallen verkregen bij de winning van sojaolie’ onder tariefpostonderverdeling 2304 00 00 van de GN. De Inspecteur beschouwt [het product] daarentegen – kort gezegd – als ‘bereiding van de soort gebruikt voor het voederen van dieren’ in de zin van tariefpostonderverdeling 2309 90 31 van de GN, daarvoor steun zoekend bij een indelingsverordening van de Europese Commissie uit 2013. [het product] is een soja-eiwitconcentraat in de vorm van een bruin, grof poeder dat wordt gebruikt als ingrediënt voor mengvoerders voor dieren. Het product wordt als volgt verkregen. Bij de winning van (soja)olie worden sojabonen ontdaan van hun schil, vermalen en gestoomd, en vindt extractie van de olie plaats met hexaan (eerste extractie). Bij dit proces ontstaat, naast de olie, een bijproduct: ‘sojaschroot’. Dit sojaschroot is geschikt voor en wordt gebruikt als ingrediënt voor mengvoeders voor dieren. [het product] komt tot stand door het sojaschroot een behandeling te doen ondergaan met ethanol en water (tweede extractie). Bij deze tweede extractie wordt het in het sojaschroot overgebleven vet aan het product onttrokken en wordt het gehalte aan andere bestanddelen dan eiwitten – vooral koolhydraten – verlaagd. Ook worden bij de tweede extractie schadelijke stoffen uit het product verwijderd om te voldoen aan veiligheidswetgeving. De bij de tweede extractie gebruikte ethanol blijft niet achter in het product. Anders dan het sojaschroot, dat vanwege de hoge concentratie aan koolhydraten daarvoor niet geschikt is, is [het product] geschikt om te gebruiken als ingrediënt van mengvoeders voor zeer jonge kalveren. Rechtbank en Hof hebben de door belanghebbende voorgestane indeling gevolgd. Niet in geschil is dat de indelingsverordening niet van toepassing is omdat deze geen terugwerkende kracht kan hebben. Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris strekt ten betoge dat als de door het Hof toegepaste indeling juist zou zijn, de Commissie met haar (latere) indelingsverordening de draagwijdte van tariefposten zou wijzigen, hetgeen niet is toegestaan en dat dus het oordeel van het Hof onjuist moet zijn. Volgens A-G Van Hilten gaat het erom of het Hof met betrekking tot de in 2010 afgegeven bti terecht heeft geoordeeld dat [het product] onder post 2304 valt. Die vraag kan volgens de A-G niet ontkennend worden beantwoord met het argument dat een latere indelingsverordening een andere indeling hanteert. Vóór het van kracht worden van een indelingsverordening kan de nationale rechter zelf (rechtsgeldig) overgaan tot indeling van goederen, ook indien deze indeling een andere is dan die welke op grond van een latere indelingsverordening volgens de Commissie geboden is. Bovendien wil het bestaan van een indelingsverordening nog niet zeggen dat de daarin gegeven indeling juist is: het komt voor dat indelingsverordeningen door het HvJ ongeldig worden verklaard. Als het betoog van de Staatssecretaris echter aldus wordt begrepen, dat hij de motivering van de Commissie (in de latere indelingsverordening) tot de zijne maakt, wordt toegekomen aan de indelingskwestie. A-G Van Hilten leidt uit (de wettelijk bepalende) aantekening 1 bij hoofdstuk 23 van de GN af dat eerst aan indeling in tariefpostonderverdeling 2309 90 31 van de GN kan worden toegekomen, nadat is vastgesteld dat een in te delen goed niet onder een andere postonderverdeling moet worden gerangschikt. Bovendien moet het gaan om bereidingen (behandelingen) die het wezenlijk karakter van het (bewerkte) product verloren doen gaan. Dat betekent in casu dat aan indeling in tariefpost 2309 van de GN pas kan worden toegekomen, indien is uitgesloten dat [het product] onder tariefpostonderverdeling 2304 00 00 van de GN valt. Hoewel in de tekst van postonderverdeling 2304 00 00 van de GN zou kunnen worden gelezen dat alleen die producten die rechtstreekse ‘bijvangst’ zijn van de winning van sojaolie, kunnen worden ingedeeld onder deze post, komt de A-G uiteindelijk tot de slotsom dat [het product] toch onder die postonderverdeling moet worden ingedeeld. Haars inziens heeft het Hof begrijpelijk en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat de bewerking van het sojaschroot tot [het product] niet heeft geleid tot een wezenlijke karakterverandering van het sojaschroot. Dat betekent dat indeling in tariefpostonderverdeling 2309 90 31 van de GN (toch) niet aan de orde is. Aan deze slotsom wordt haars inziens niet afgedaan door (met name) het arrest van het HvJ van 22 september 1988, Cargill, zaak 268/87, met name niet omdat in het arrest Cargill de mogelijke uitsluiting van indeling onder een restpost in verband met een ongewijzigd blijven van het wezenlijk karakter na (nadere) behandeling van een residu van post 2304 niet aan de orde was, en het HvJ zich derhalve daarover niet heeft hoeven uit te laten. Voorts duidt het arrest van het HvJ van 11 maart 2982, Fancon, zaak 129/81 erop dat een behandeling van een residu in de zin van tariefpost 2304 geenszins uitsluit dat het behandelde product onder die post kan worden ingedeeld. A-G van Hilten concludeert dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat [het product] moet worden ingedeeld in tariefpostonderverdeling 2304 00 00 van de GN en dat het middel niet tot cassatie leidt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken