Conclusie A-G Wattel 8 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1164

[E]-fraude (Ponzi scheme); waardering van beursgenoteerde effecten op kostprijs of lagere beurswaarde dan wel op de (ver) na balansdatum pas blijkende (veel) lagere intrinsieke waarde op balansdatum? Begrip ‘economische verkeer’ Feiten: Belanghebbende hield 2005 en 2006 aandelen in het beleggingsfonds [D] die werden genoteerd op een reguliere effectenbeurs. Ultimo 2005 en 2006 heeft zij de aandelen op kostprijs gewaardeerd. De beurswaarde noteerde toen boven kostprijs. Op 10 december 2008 werd bekend dat [D] onderdeel was van het Ponzi scheme (piramideconstructie) van beleggingsfraudeur [E] en diens onderneming. De belanghebbende meent dat voor de waardering per ultimo 2005 en 2006 rekening moet worden gehouden met de in 2008 aan het licht getreden beleggingsfraude. De Inspecteur heeft de aanslag 2005 op andere gronden verminderd en de aanslag 2006 gehandhaafd. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daartegen ongegrond verklaard. Zij achtte het geen goed koopmansgebruik om courante effecten af te waarderen waarvan de waarde in het economische verkeer op elk moment gelijk is aan de beurskoers omdat zij steeds voor die prijs verhandelbaar zijn. De in december 2008 gebleken beleggingsfraude werpt haars inziens geen ander licht op de waarde in het economische verkeer (= de beurskoers) per ultimo 2005 en 2006. In sprongcassatie blijft de belanghebbende bij haar standpunt, wijzende op HR BNB 2011/57 (bij waardering van een vordering op een “rondpompende belegger” wordt rekening gehouden met na balansdatum vergaarde kennis over de werkelijke toestand op balansdatum), HR BNB 1997/268 (voor de huurwaardeforfait-waardering van een woning is bepalend de koopprijs op peildatum als gegadigden bekend zouden zijn geweest met de later gebleken bodemvervuiling, en HR B. 5374 (effecten konden tegen werkelijke waarde werden gewaardeerd in een jaar waarin hun waarde was gedaald). A-G Wattel constateert dat vaste jurisprudentie is dat het met goed koopmansgebruik strookt om bezittingen, waaronder beursgenoteerde effecten, te waarderen op kostprijs of (lagere) waarde in het economische verkeer (HR BNB 2014/116). Voor ter beurze verhandelde effecten is de waarde in het economische verkeer zijns inziens in beginsel de beurskoers. Op die beurs vindt het economische verkeer in die effecten plaats, hun koers wordt bepaald door vraag en aanbod zoals die op die vrije markt samenkomen, en de effecten zijn op elk moment verhandelbaar tegen de op dat moment vigerende beurskoers. Onder omstandigheden kan bij een zeer groot belang in één fonds de waarde in het economische verkeer lager of hoger liggen dan de beurskoers (HR BNB 1996/279). De A-G meent dat de door de belanghebbende genoemde jurisprudentie haar pleidooi voor een uitzondering niet steunt. Die zaken betroffen geen beursgenoteerde effecten. De waarde van vermogensbestanddelen waarvoor geen objectieve waarde op de peildatum bestaat (zoals een beurskoers, een identieke transactie of een onherroepelijk bod), moet achteraf, althans schattenderwijs bepaald worden. Bij dergelijke vermogensbestanddelen kan na balansdatum verkregen kennis omtrent de feiten op balansdatum van belang zijn voor de waardering omdat zij licht kan werpen op de – niet uit enige op peildatum geldende objectieve maatstaf blijkende - waarde in het economische verkeer op de balansdatum (onder meer HR BNB 1984/37). Zou wél achteraf rekening gehouden moeten worden met de werkelijke feiten ter zake van beursfondsen waarvan de markt op een bepaalde beursdag niet op de hoogte was, dan zouden beurskoersen als waarderingsmaatstaf onbruikbaar worden, terwijl een effectenbeurs, met market makers, er juist toe dient om op elk moment van de handelsdag daadwerkelijk te kunnen kopen en verkopen tegen de op dat moment vigerende koers, zonder dat tot stand gekomen transacties achteraf ongedaan gemaakt zouden kunnen worden op grond van later blijkende discrepanties tussen het prospectus of het jaarverslag van het desbetreffende fonds en de werkelijkheid. De zeer ruim na balansdatum gebleken [E]-fraude is volgens de A-G niet van betekenis voor de waarde in het economische verkeer van de litigieuze effecten op de balansdata 2005 en 2006. De belanghebbende heeft niet gesteld dat zij – en ieder ander – hen op die balansdata niet probleemloos tegen beurskoers had kunnen verkopen, en wel onherroepelijk, óók als reeds de volgende dag de rapen gaar zouden zijn gebleken. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken