Conclusie A-G Wattel 7 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1163

Proefprocedure over de term ‘natuurterrein’ in art. 116(c) Waterschapswet; grasland dat door een agrariër wordt gemaaid, bemest en beweid (mede) tot ontwikkeling van het gebied als natuur. Het perceel heeft nog 38% van zijn agrarische productievermogen en draagt aldus ook bij aan andere doeleinden dan natuurbehoud of -ontwikkeling. Voldoen de inrichting en het beheer van het land daarmee aan de wettelijke eis dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur? Feiten: X (de belanghebbende) is eigenaresse van een perceel dat in ontwikkeling is van regulier agrarisch grasland tot de natuurcategorie ‘kruiden- en faunarijk grasland’. Het perceel is verpacht aan een agrariër die het extensief gebruikt door bemaaiing, ruwe bemesting en beweiding. De partijen zijn het eens dat dat extensieve agrarische gebruik essentieel is voor de ontwikkeling van het gebied als kruiden- en faunarijk grasland. Het perceel heeft nog 38% van zijn agrarische productievermogen. De kosten voor de zorg voor het watersysteem worden door de Waterschapswet met een watersysteemheffing verdeeld over vier groepen heffingsplichtigen: ‘Ingezetenen’, ‘Ongebouwd’, ‘Natuurterreinen’ en ‘Gebouwd’. De kostentoedeling leidt ertoe dat het heffingsbedrag per hectare voor natuurterreinen veel lager is dan voor overige ongebouwde onroerende zaken. ‘Natuurterrein’ wordt in art. art. 116(c) Waterschapswet omschreven als “ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur”. Geschil: Het waterschap meent dat het in casu om een perceel ‘ongebouwd’ gaat; de belanghebbende meent dat het lagere tarief voor ‘natuurterreinen’ geldt. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, oordelende dat een agrarische restproductiemogelijkheid van 38% van de productie bij ‘normaal’ agrarisch gebruik ruimschoots meer is dan 10%, zodat beheer en ontwikkeling van het perceel niet ‘geheel of nagenoeg geheel’ zijn afgestemd op natuur. Omdat het perceel nog verder wordt ontwikkeld als natuurterrein, is volgens de Rechtbank evenmin voldaan aan de eis dat beheer en inrichting (al) ‘duurzaam’ zijn afgestemd op natuur. Het Hof daarentegen zag wél een natuurterrein omdat belanghebbendes (middellijke) gebruik van het (rest)opbrengstgevende vermogen van de grond geschiedt binnen de doelstelling van behoud of ontwikkeling van natuur: niet in geschil is dat begrazing of periodiek maaien essentieel is voor de ontwikkeling als kruiden- en faunarijk grasland. Het feit dat beheer en inrichting (mede) zijn afgestemd op de - voor natuurbeheer en -ontwikkeling essentiële - begrazing door koeien, sluit geenszins uit dat beheer en inrichting daarmee – tegelijk – zijn afgestemd op natuurbehoud of -ontwikkeling. Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom gegrond verklaard. Cassatiemiddel Dagelijks Bestuur: het Hof heeft de term ‘natuurterreinen’ in art. 116(c) Waterschapswet verkeerd uitgelegd omdat hij ten onrechte uitsluitend vanuit het perspectief van de eigenaar (X) heeft beoordeeld in hoeverre ook buiten de doelstelling van natuurbehoud of -ontwikkeling gebruik wordt gemaakt van het opbrengstgevende vermogen van de grond; het Hof had zulks ook vanuit het perspectief van de pachter van het perceel moeten beoordelen. Daarnaast heeft het waterschap drie motiveringsklachten. A-G Wattel meent dat als het beheer en de inrichting bijdragen aan natuurbehoud of ontwikkeling en daarvoor, zoals in casu, zelfs noodzakelijk zijn, zij afgestemd zijn op natuurbehoud of -ontwikkeling. Dat die inrichting en dat beheer tegelijkertijd mede bijdragen aan andere doeleinden die op geen enkele wijze in strijd zijn met natuurbehoud en ontwikkeling (zoals in casu extensief agrarisch gebruik met een zekere bescheiden opbrengst) doet volgens de A-G op zichzelf niet af aan de bijdrage aan en afstemming op natuurbehoud en -ontwikkeling. ‘Agrarische bijvangst’, zoals in casu, is tekstueel noch teleologisch een beletsel voor de kwalificatie van belanghebbendes perceel als ‘natuurterrein’. Dat het de pachter wellicht juist te doen is om die bijvangst en niet om natuurbehoud of -ontwikkeling, doet zijns inziens niet ter zake. Een ongebouwde onroerende zaak waarvan beheer en inrichting bijdragen aan natuurbehoud of -ontwikkeling is volgens de A-G pas dan geen ‘natuurterrein’ als er voor 10% of meer sprake is van inrichtings- en beheersmaatregelen die niet bijdragen aan natuurbehoud of ontwikkeling c.q. daarmee onverenigbaar zijn. Nu vast staat dat de agrarische activiteiten op belanghebbendes perceel (begrazing dan wel maaien) essentieel zijn voor de ontwikkeling van het gebied als kruiden- en faunarijk grasland, is daarmee zijns inziens gegeven dat beheer en inrichting duurzaam bijdragen aan natuurbehoud en -ontwikkeling. De A-G meent dat ‘s Hofs oordeel daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Vast staat immers dat geen beheer- of inrichtingsmaatregelen zijn genomen die niet bijdragen aan natuurbehoud of ontwikkeling. De A-G acht ook de drie motiveringsklachten ongegrond. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken