Conclusie A-G Hofstee 28 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA0793
Krakers-zaak. 1. Huisrecht. 2. Art. 429sexies Sr (vervallen), “gebruik door de rechthebbende”. Ad 1. De omstandigheid dat een beroep op het huisrecht niet behoeft af te stuiten op de enkele omstandigheid dat degene die zich daarop beroept nog slechts (zeer) kort tevoren zijn intrek in de desbetreffende ruimte had genomen, laat onverlet dat aan de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder een zeer kort tijdsverloop tussen het moment waarop wordt getracht een ruimte wederrechtelijk als woning in bezit te nemen en het moment waarop die situatie weer wordt beëindigd, het oordeel kan worden ontleend dat van feitelijk als woning in gebruik zijn (nog) geen sprake is geweest. ‘s Hofs oordeel dat uit de bijzondere omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat verdachte t.a.v. de gekraakte woning (nog) geen huisrecht kon doen gelden, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel – in het licht van ’s Hofs vaststellingen - evenmin onbegrijpelijk is. Ad 2. Uit de wetsgeschiedenis, noch uit de ratio van art. 429sexies Sr, volgt dat art. 429sexies Sr niet van toepassing zou zijn op slooppanden, dan wel dat de voor het pand te vinden bestemming dienstbaar moet zijn aan “een rechtvaardige en evenwichtige verdeling van schaarse woonruimte”, in die zin dat de toepasselijkheid van art. 429sexies Sr dwingend verbonden is aan wederom als huurwoning(en) beschikbaar stellen van het leeggekomen bouwwerk. Het Hof heeft derhalve niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn overwegingen te betrekken dat niet is gebleken dat woningbouwvereniging X onherroepelijk afstand heeft gedaan van haar recht op het gebouw en mede daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat het voornemen van X het gebouw te slopen niet eraan in de weg staat dat X in de gegeven omstandigheden bescherming kon ontlenen aan art. 429sexies Sr.
De uitspraak op rechtspraak.nl