Conclusie A-G IJzerman 18 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ3560

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 december 2011, nr. 11/00079. Belanghebbende exploiteerde in maatschapsverband met haar echtgenoot en haar ouders een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf. Deze maatschap is per 30 april 2004 ontbonden wegens uittreding van de ouders. In de akte van ontbinding van 30 december 2004 is opgenomen dat aan belanghebbende zelf alle onroerende zaken en productierechten behorende tot het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen van haar ouders worden toebedeeld. Voorts zijn aan belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk toebedeeld het aandeel van haar ouders in de vermogensbestanddelen die behoorden tot het vermogen van de maatschap, ieder voor de onverdeelde helft. In het kader van hun toebedeling hebben belanghebbende en haar echtgenoot alle tot het maatschapsvermogen behorende schulden voor hun rekening genomen. Belanghebbende heeft een hypothecaire schuld op een bedrijfspand (boerderij) overgenomen die tot het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen van haar ouders behoorde. Partijen hebben voor de inkomstenbelasting gebruik gemaakt van de doorschuiffaciliteit van artikel 3:63 van de Wet IB 2001. De bedrijfsovername heeft geleid tot een overbedeling aan belanghebbende en haar echtgenoot. De overbedeling is volgens de akte van ontbinding vastgesteld op € 1.415.419,00 onder te verdelen als volgt. In de eerste plaats wordt een bedrag van € 62.728,00 geacht te zijn voldaan doordat voor rekening van belanghebbende de latente inkomstenbelastingschuld ter zake van de in het verdeelde vermogen begrepen stille reserves (20%) komt. In de tweede plaats wordt een bedrag van € 1.202.691 aan belanghebbende door haar ouders geschonken. Ten slotte resteert een koopsom van € 150.000. Ten aanzien van de schenking ten bedrage van € 1.202.691 is voor het kalenderjaar 2004 door de notaris van belanghebbende de aangifte voor het recht van schenking opgesteld. In deze aangifte doet belanghebbende een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 35c SW. Over de door haar verkregen schenking van € 1.202.691 is volgens belanghebbende een schenkingsrecht ten bedrage van € 264.414 verschuldigd, welk bedrag geheel in de vorm van een voorwaardelijk onbelaste conserverende aanslag zou moeten worden opgelegd. De voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde heeft belanghebbende zowel gebaseerd op het eerste lid van artikel 35c SW als op het tweede lid van deze bepaling. De Inspecteur is op twee punten van de aangifte afgeweken. In de eerste plaats stelt de Inspecteur dat belanghebbende ten onrechte de (overgenomen) langlopende schulden (passiva) buiten beschouwing heeft gelaten bij het vaststellen van de liquidatiewaarde. Volgens de Inspecteur zijn de (overgenomen) langlopende schulden vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35b, lid 2, SW, zodat de liquidatiewaarde zou dienen te worden vastgesteld op het saldo van de activa en passiva (€ 1.415.419) en niet op de door belanghebbende gehanteerde liquidatiewaarde van € 1.903.019. In de tweede plaats stelt de Inspecteur dat belanghebbende ten onrechte bij de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit de belastinglatenties buiten beschouwing heeft gelaten. De Inspecteur heeft daarop wegens belaste geconserveerde waarde een conserverende navorderingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 73.623. Belanghebbende stelt dat zowel de langlopende schulden als de belastinglatenties als een ‘tegenprestatie’ in de zin van artikel 7c van de Uitvoeringsregeling dienen te worden aangemerkt, waardoor deze in de aangifte terecht buiten beschouwing zouden zijn gelaten. Dit artikel luidt: ‘Indien de verkrijger de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, van de Successiewet 1956, heeft verkregen tegen een tegenprestatie of onder een last wordt voor de toepassing van artikel 35c van die wet de waarde van die tegenprestatie of die last niet in mindering gebracht op de waarde van de bedoelde vermogensbestanddelen’. Aldus zou, volgens belanghebbende, de liquidatiewaarde geen vermindering ondergaan. In cassatie is thans in geschil of de langlopende schulden en de latente inkomstenbelastingschuld voor de toepassing van het eerste lid van artikel 35c SW tot de liquidatiewaarde moeten worden gerekend. De A-G meent dat de krachtens schenking verkregen voortgezette onderneming de activa en passiva omvat. De langlopende schulden behoren daarmee tot de in de onderneming begrepen passiva en kunnen dus niet buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van de omvang van het bedrijfsvermogen, waaronder bij waardering daarvan op liquidatiewaarde. In zoverre is het eerste middel terecht voorgesteld. Het Hof heeft echter ten gunste van het standpunt van belanghebbende het gelijkheidsbeginsel toegepast. In dat kader is het Hof nagegaan welke gevallen hier beleidsmatig gelijkelijk moeten worden behandeld bij toepassing van artikel 7c van de Uitvoeringsregeling. De Inspecteur heeft kennelijk verklaard dat dit artikel 7c wel van toepassing zou zijn ‘indien belanghebbende alleen de activa van de onderneming zou hebben overgenomen, waartegenover de koopsom zou zijn verhoogd met een bedrag gelijk aan het bedrag van de langlopende verplichtingen, en belanghebbende ter financiering van die hogere koopsom een langlopende financiering bij de bank zou zijn aangegaan waarmee de schenkers hun schuld uit hoofde van de langlopende financiering geheel zouden hebben kunnen aflossen’. De A-G acht de door het Hof hier gegeven toepassing van het gelijkheidsbeginsel aanvaardbaar, althans niet onbegrijpelijk. Daarop stuit het eerste middel af. De A-G meent dat een inkomstenbelastinglatentie die naar de verkrijgers is doorgeschoven op grond van artikel 3:63 Wet IB 2001 drukt op de waarde van het verkregene. In zoverre is het tweede middel terecht voorgesteld, maar het kan geen doel treffen vanwege de getalsmatige overwegingen in r.o. 4.13 van de Hofuitspraak. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen