Conclusie A-G Wattel 20 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:790

Overdracht, door BV, van recht op waardeverandering van grond; BV ‘wordt geacht’ een ‘recht van erfpacht’ voor te behouden waarvoor zij een jaarlijkse ‘canon’ betaalt. Primair: Belaste verkrijging van economische ex art. 2(2) Wet BvR? Zo ja, subsidiair: waarde verminderen met de waarde van de ‘canon’ ex art. 11(2) Wet BvR? Beroep op HR BNB 2010/67, de ‘koophuur’-uitspraak van Hof Amsterdam 01/01687 en HR BNB 2006/281. Feiten: De belanghebbende heeft obligatoir van een BV 21% verkregen van het recht op waardeveranderingen van grond waarop een opstal staat. De overeenkomst bepaalt dat de BV ‘geacht wordt’ zich een recht van erfpacht voorbehouden te hebben en dat zij aan de gerechtigden tot de waardeveranderingen, onder wie de belanghebbende, jaarlijks een ‘canon’ is verschuldigd ad € 158.784. De Inspecteur heeft de belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd wegens verkrijging van economische eigendom van de onroerende zaak. In geschil is primair of de belanghebbende de economische eigendom van een onroerende zaak dan wel van slechts een bestanddeel van een onroerende zaak heeft verkregen (namelijk van slechts de grond exclusief opstallen), en zo ja, subsidiair of de maatstaf van heffing ex art. 11(2) Wet BvR verminderd moet worden met de gekapitaliseerde waarde van de ‘canon’. De Rechtbank en het Hof hebben primair uiteengezet dat grond niet een bestanddeel van een onroerende zaak is, maar de zaak zelf, zodat verkrijging van de economische (mede-)eigendom van alleen de grond wel degelijk een verkrijging in de zin van art. 2(2) Wet BvR is waarover overdrachtsbelasting is verschuldigd. Subsidiair: nu geen erfpachtrecht is gevestigd, kan er bij de bepaling van de maatstaf van heffing ook geen rekening mee worden gehouden. In cassatie handhaaft de belanghebbende zijn voor de Rechtbank en het Hof betrokken stellingen dat hij geen economische eigendom in de zin van art. 2(2) Wet BvR heeft verkregen en dat subsidiair de maatstaf van heffing moet worden verminderd. Hij beroept zich op Hof Amsterdam 22 mei 2003, nr. 01/01687 (koop, door de huurder, van de ‘binnenkant’ van een appartement is geen belaste verkrijging) en op HR BNB 2010/67 (verkrijging van economische gerechtigdheid tot een bestanddeel van een onroerende zaak was tot 2013 geen belaste verkrijging). A-G Wattel ziet in het burgerlijke recht of het belastingrecht geen steun voor belanghebbendes stelling dat zijn gerechtigdheid tot de waardeveranderingen van de grond geen economische eigendom van de onroerende zaak in de zin van art. 2(2) Wet BvR in zou houden. De grond is geen bestanddeel van een onroerende zaak, maar die zaak zelf, en de daarop aanwezige opstallen zijn de bestanddelen; niet andersom (artt. 3:4 en 5:20(e) BW). Daarom faalt belanghebbendes beroep op HR BNB 2010/67: die zaak betrof de verkrijging van een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot een bestanddeel van een onroerende zaak (de economische eigendom van alleen de opstal) in plaats van een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de hoofdzaak. Belanghebbendes beroep op Hof Amsterdam nr. 01/01687 gaat volgens de A-G evenmin op omdat de belanghebbende in die zaak slechts de economische eigendom van de binnenkant van een woning verkreeg (expliciet uitgezonderd waren waardeveranderingen van de woning door ontwikkelingen op de woningmarkt), terwijl de belanghebbende juist wél het recht op de waardeveranderingen van de onroerende zaak (minstens de grond) heeft verkregen. Subsidiair beroept de belanghebbende zich op HR BNB 2006/281. De A-G meent dat hij echter miskent dat obligatoire gerechtigdheid tot waardeverandering van een onroerende zaak feitelijk noch maatschappelijk overeenkomt met juridische eigendom van een onroerende zaak bezwaard met erfpacht. Anders dan een slechts obligatoir gerechtigde tot waardeveranderingen, is een juridische eigenaar in de openbare registers ingeschreven als eigenaar, kan hij beperkte rechten op de onroerende zaak vestigen zoals hypotheek en vruchtgebruik en heeft hij de volledige beschikkingsmacht over de eigendom van de bezwaarde zaak; belanghebbendes obligatoire gerechtigdheid daarentegen houdt geen beschikkings- of bezwaringsmacht in en heeft geen derdenwerking. Voor vermindering van de heffingsmaatstaf met de waarde van de ‘canon’ ex art. 11(2) Wet BvR is dus geen reden. Tot slot merkt de A-G op dat ingevolge art. 9(1) en 52 Wet BvR over de volle waarde in het economische verkeer van (21% van) de onroerende zaak had moeten worden geheven. Nu nageheven is over de – ook volgens de belanghebbende – veel lagere overdrachtsprijs die feitelijk door hem is betaald, is feitelijk reeds nageheven over de waarde minus de waarde van persoonlijke verplichtingen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond; toepassing art. 81 RO.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken