Conclusie A-G Niessen 2 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:766

Belanghebbende leent in 2004 € 35.000 van een bank om dat bedrag tegen onzakelijke voorwaarden door te lenen aan zijn werkgever. Bij het faillissement van de werkgever in 2007 heeft belanghebbende een vordering op de werkgever van € 32.200 (€ 31.000 hoofdsom en € 1.200 achterstallige rente). Het geschil betreft de vraag of het verlies van belanghebbende op de lening negatief loon vormt. Volgens rechtbank Arnhem heeft belanghebbende niet aftrekbare verwervingskosten gemaakt ter behoud van zijn dienstbetrekking. Volgens het hof Arnhem behoort het verlies uit de werknemerslening niet tot de kosten die zijn gemaakt ter verwerving, inning en behoud van het loon, omdat dit verlies geen uitgave is, waartegenover belanghebbende een tegenprestatie ontvangt die hij aanwendt in het kader van de dienstbetrekking. Door het verlies op de lening is belanghebbende in verband met zijn dienstbetrekking verarmd, waardoor er sprake is negatief loon. Volgens de A-G zou onderhavige geldlening vergeleken kunnen worden met een borgstelling. Indien de onderhavige geldlening op gelijke voet zou worden behandeld als een borgstelling, is aftrek uitgesloten, nu in BNB 1998/295 is geoordeeld dat in dit geval sprake is van verwervingskosten welke kosten van aftrek zijn uitgezonderd. Blijkens vaste rechtspraak wordt wel aftrek toegestaan van lasten die als negatief loon kwalificeren. Overeenkomstig BNB 1970/246 en BNB 1998/295 is geen sprake van negatief loon wanneer een werknemer, al dan niet tot behoud van zijn dienstbetrekking, onverplicht deelneemt in de financiering van zijn werkgever en bij faillissement van deze nadeel lijdt wegens de waardedaling van het door hem geïnvesteerde vermogen. In onderhavige zaak doet zich een dergelijk geval voor. De belanghebbende heeft een lening verstrekt aan zijn werkgever zonder dat hij daartoe uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst verplicht was. Het is aannemelijk dat het behoud van de dienstbetrekking voor belanghebbende een motief vormde. Dat neemt echter niet weg dat de lening niet werd verstrekt binnen het raam van de dienstbetrekking, maar een separate vermogenstitel vormde. Naar zijn aard valt het verstrekken van een geldlening niet binnen de dienstbetrekking. De verstrekking vindt niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit ‘genoten’ moet worden beschouwd. Het verlies uit de geldlening houdt hiermee onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking, waardoor er geen sprake is van negatief loon. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen