Conclusie A-G Niessen 2 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:765

Aan belanghebbende) zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2005 en 2006 opgelegd. Na hiertegen gemaakt bezwaar zijn de aanslagen verminderd. Belanghebbende is van de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen. De rechtbank heeft belanghebbendes beroep bij uitspraken van 24 juni 2011 gegrond verklaard en de aanslagen verminderd. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) heeft bij uitspraken van 6 september 2012 de uitspraken van de Rechtbank vernietigd en de door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of goed koopmansgebruik toestaat dat winstneming van een tijdelijk omzetbelastingvoordeel dat ontstaat door de toepassing van de globalisatieregeling, wordt uitgesteld. Met het tweede en derde middel keert belanghebbende zich tegen ’s Hofs oordeel omtrent de toepassing van goed koopmansgebruik ten aanzien van het temporele omzetbelastingvoordeel. Belanghebbende meent, kort weergegeven, dat het tijdelijke omzetbelastingvoordeel dat hij behaalt door toepassing van de globalisatieregeling, niet tot de winst gerekend moet worden omdat er een evenredig nadeel in de toekomst tegenover staat. Belanghebbende betoogt dat goed koopmansgebruik met zich brengt dat de verschuldigde omzetbelasting aan de jaren moet worden toegerekend waarin de verkopen zijn verricht. De A-G stelt vast dat bezien over een langere periode omzetbelasting moet worden afgedragen over de totale toegevoegde waarde. De globalisatieregeling bewerkstelligt dat in geval van hoge inkopen de afdracht geheel of gedeeltelijk wordt uitgesteld. Als gevolg daarvan wordt de last van de omzetbelasting die wordt opgeroepen door reeds plaatsgevonden verkopen, geheel of gedeeltelijk uitgesteld. Als gevolg daarvan is de winst in het jaar van relatief hoge inkopen, bij beschouwing op kasbasis, te hoog. De extra uitgaven voor omzetbelasting in een volgende periode waarin de inkopen lager zijn dan de verkopen, wordt opgeroepen door verkopen uit het verleden. Aangezien ten aanzien van alle verkopen uiteindelijk belasting moet worden afgedragen over de ‘marge’, ligt de nog af te dragen last aan omzetbelasting vast in de effectief nog niet met de fiscus afgerekende verkopen. Derhalve verlangt het realisatie- of matchingsbeginsel dat de kosten worden toegerekend aan die eerdere periode. De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen