Conclusie A-G Niessen 28 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1946
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/00719. Belanghebbende heeft ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, niet vóór 1 april 2005 aangifte ib/pvv gedaan voor het jaar 2004. Op 12 mei 2007 is aan belanghebbende een ambtshalve vastgestelde aanslag in de ib/pvv opgelegd. Er volgt bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt van belanghebbendes inkomen uit onderneming. In deze conclusie ondersteunt de A-G de behandeling van het middel met een overzicht van jurisprudentie en literatuur omtrent het begrip ‘redelijke schatting’. Ook wanneer, zoals in het onderhavige geval, de omkering van de bewijslast is toegepast, dient de inspecteur de hoogte van de belastingaanslag op een redelijke wijze, en met feitelijke stellingen onderbouwd, vast te stellen. De aanslag mag niet willekeurig worden vastgesteld, er moet een redelijke, beargumenteerde en inzichtelijke schatting aan ten grondslag liggen. Naarmate de inspecteur minder gegevens van belanghebbende heeft ontvangen, zal de schatting ruwer mogen zijn. Meestal zal het uiterst moeilijk zijn om de afwezigheid van inkomen te bewijzen. Met het oog daar op zal de schatting een zekere bepaaldheid met betrekking tot de bron van het inkomen moeten bevatten. De rechter mag niet ongemotiveerd voorbij gaan aan stellingen van belanghebbenden die, indien deze waar worden bevonden, aannemelijk maken dat het inkomen te hoog is geschat. Wanneer tijdens het onderzoek feiten en omstandigheden vast komen te staan waaruit blijkt dat de schatting van de inspecteur te hoog moet zijn, dan kan de rechter niet op begrijpelijke wijze tot het oordeel komen dat de schatting van het inkomen redelijk is. De lastige bewijspositie van een belanghebbende in zaken als deze brengt overigens met zich dat een tijdig gedaan aanbod om aan te tonen dat de aanslag onjuist is, door de rechter niet zonder meer ter zijde kan worden gesteld. Belanghebbende heeft tijdens de tweede zitting van het hof aangeboden stukken aan te leveren met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het jaar 2004. De A G meent dat het hof dit bewijsaanbod heeft mogen afwijzen op de grond dat het niet tijdig gedaan is. Belanghebbende heeft in cassatie aangevoerd dat zijn naam met ingang van 3 juni 2004 definitief is doorgehaald in het accountantsregister waardoor hij zijn beroep niet meer mocht uitoefenen. Uit het dossier blijkt echter niet dat belanghebbende deze feitelijke stelling reeds voor het hof naar voren heeft gebracht. In cassatie is geen ruimte voor nader onderzoek van feitelijke aard. In het licht van de zeer beperkte informatie die belanghebbende in feitelijke instanties heeft overgelegd, heeft het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, aldus de A-G.
De uitspraak op rechtspraak.nl