Conclusie A-G van Hilten 10 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:18

Belanghebbende heeft ‘gewone’ sportvelden in 2004 laten vervangen door kunstgrasvelden en asfaltvelden (hierna tezamen kortweg ‘kunstgrasvelden’). In geschil is of zij bij de ingebruikneming van deze kunstgrasvelden in 2004 een aan heffing onderworpen levering heeft verricht in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Op 3 mei 2010 heeft A-G Van Hilten voor de eerste maal geconcludeerd in deze zaak. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 mei 2011 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ). Bij arrest van 8 november 2012 heeft het HvJ die vraag als volgt beantwoord: “Artikel 5, lid 7, sub a van de Zesde richtlijn (…) gelezen in samenhang met artikel 11, A, lid 1, sub b, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat het door een belastingplichtige voor een van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde economische activiteit bestemmen van velden in zijn eigendom die hij door een derde heeft laten bewerken, onderworpen kan worden aan een heffing van belasting over de toegevoegde waarde met als maatstaf van heffing de som van de waarde van de grond waarop deze velden liggen en de kosten van de bewerking ervan, voor zover die belastingplichtige over die waarde en kosten nog geen belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald en mits de betrokken terreinen niet onder de in artikel 13, B, sub h, van deze richtlijn bedoelde vrijstelling vallen.” A-G Van Hilten neemt thans nogmaals conclusie, omdat het antwoord van het HvJ haars inziens nieuwe vragen oproept. Zij merkt op dat het arrest van het HvJ leert dat de richtlijnconformiteit van de Nederlandse 3-1-h-levering een gegeven is. Vervolgens gaat de A-G op de maatstaf van heffing en het in dat kader door het HvJ gebruikte woord ‘betaald’. Allerlei problemen die hiermee samenhangen zijn voor onderhavige zaak echter niet van belang, omdat in cassatie het uitgangspunt moet zijn, dat belanghebbende vóór de onderhavige naheffingsaanslag geen omzetbelasting heeft betaald over de waarde van de grond. Daarna komt het voorwerp van de fictieve levering aan bod. Van Hilten merkt op dat A-G Mazák en het HvJ eraan twijfelen of het omvormen van een (natuur)gras-sportveld in een kunstgras-sportveld wel een vervaardiging is. Het HvJ tornt hier echter niet aan. Het HvJ vraagt zich wel nadrukkelijk af of de (interne) levering van de kunstgrasvelden een belaste levering is. Een belaste levering van een onroerende zaak is aan de orde, indien hetzij een bouwterrein wordt geleverd, hetzij een ‘nieuw’ gebouw. Uit de door het HvJ, in punt 36 van zijn arrest, uitdrukkelijk opengelaten mogelijkheid dat sprake is van ‘bebouwd terrein’, leidt A-G Van Hilten af dat de Hoge Raad niet alleen moet toetsen of de kunstgrasvelden als bouwterrein kwalificeren, maar (ook) of de levering (op grond van de nationale invulling van artikel 4, lid 3, onder a, van de Zesde richtlijn) is belast als levering van bebouwd terrein. Van Hilten meent dat het niet voor de hand ligt de kunstgrasvelden als bouwterrein aan te merken. Heffing is dan alleen aan de orde indien een kunstgrasveld een vast met de grond verbonden bouwwerk is. De begrippen ‘gebouw’ en ‘bouwwerk’ zijn Unierechtelijke termen, waarvan de uitlegging aan het HvJ is voorbehouden. A-G Van Hilten noemt in haar conclusie argumenten vóór en tegen het aanmerken van kunstgrasvelden als een ‘gebouw’ in Unierechtelijke zin. Gelet op de twijfel over de uitleg van het begrip ‘gebouw’ geeft de A-G de Hoge Raad in overweging de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen: “Zijn kunstgrasvelden, zijnde sportvelden met een toplaag van kunststof die voor dezelfde doeleinden worden gebezigd als sportvelden met natuurlijk gras, voor de toepassing van het bepaalde in artikel 13, B, onder g, van de Zesde richtlijn juncto artikel 4, lid 3, onder a, slotzin, van die Richtlijn (thans artikel 135, lid 1, onder j, van de btw-richtlijn respectievelijk artikel 12, lid 1, onder a, van de btw-richtlijn) aan te merken als ‘gebouwen’, dat wil zeggen vast met de grond verbonden ‘bouwwerken’?” De conclusie strekt tot aanhouding van de beslissing en schorsing van het geding totdat het HvJ uitspraak heeft gedaan in de voorgestelde vraag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen