Conclusie A-G Wattel 22 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1483

Reikwijdte tonnageregime; ‘exploitatie van een zeeschip’ of daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten; inbreng in CV; commerciële herwaarderingswinst; HR BNB 1960/34. Feiten: de belanghebbende heeft een CV opgericht met haar als beherende vennoot. Bij de inbreng van de economische eigendom van een in haar opdracht gebouwd schip in de CV realiseert zij € 353.948 winst. Daarnaast geniet zij € 53.616 voor haar werkzaamheden met betrekking tot de oprichting van de CV, de uitgifte van participaties aan commandieten, en de eerste uitrusting van het schip. Geschil: de belanghebbende meent dat deze baten onder het tonnageregime vallen; de Inspecteur meent het tegendeel. De Rechtbank en het Hof achtten het tonnageregime niet van toepassing omdat de voordelen niet voortvloeien uit de exploitatie van een zeeschip of daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten ex art. 3.22 Wet IB 2001. Cassatiemiddelen belanghebbende: (i) het Hof heeft art. 3.22 Wet IB 2001 verkeerd toegepast door de voordelen regulier te belasten; (ii) de ex HR BNB 1960/34 verplichte fiscale herwaardering bij commerciële herwaardering van een vennootschapsaandeel is voorts achterhaald en strookt niet (meer) met goed koopmansgebruik; (iii) het vertrouwensbeginsel is geschonden. A.-G. Wattel meent dat de middelen falen op het punt van de vraag of de gerealiseerde voordelen onder het tonnageregime vallen. Het Hof heeft, gezien HR BNB 2007/192 en HR BNB 2012/225, de juiste maatstaf aangelegd en heeft op grond van de door hem vastgestelde en niet-betwiste feiten kunnen oordelen dat de activiteiten waaruit de genoemde voordelen resulteerden, geen exploitatie van een zeeschip zijn, en evenmin daarmee direct samenhangen. Hoewel belanghebbendes verzet tegen de ex HR BNB 1960/34 verplichte fiscale herwaardering van haar scheepsaandeel bij inbreng in de CV steun vindt in de literatuur, heeft zij geen feiten gesteld waaruit zou kunnen volgen dat zij belang heeft bij gegrondbevinding van het desbetreffende middel, nu bij de door haar beoogde aanvang van het tonnageregime in hetzelfde jaar hoe dan ook ex art. 3:22(2) Wet IB 2001 geherwaardeerd moet worden op werkelijke waarde. Het vertrouwensberoep faalt volgens de A.-G. omdat per activiteit beoordeeld moet worden of zij onder het tonnageregime valt en de afgifte van een beschikking voor bepaalde activiteiten in een bepaald jaar op zichzelf geen vertrouwen wekt dat ook ná die beschikking nog te ontwikkelen toekomstige activiteiten in een later jaar onder het regime zullen vallen. Uit het dossier volgt dat de partijen een eventuele regime-mismatch tussen kosten en opbrengsten over twee jaren al opgelost hebben. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken