Conclusie A-G Niessen 21 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1472

[X] (hierna: belanghebbende) is per 15 april 2001 in dienst getreden bij [B] NV. Het betrof een voltijdse dienstbetrekking. Voor deze tewerkstelling is aan hem op 20 februari 2002 de 30% bewijsregel toegekend voor de periode 1 april 2001 tot en met 31 maart 2011. Per 1 januari 2003 is deze bewijsregel omgezet naar een andere inhoudingsplichtige binnen [B] NV. Per 1 april 2009 is de tewerkstelling van belanghebbende bij [B] NV geëindigd. Per dezelfde datum is belanghebbende benoemd als commissaris bij [C] Holding NV. Voor deze tewerkstelling is de 30% bewijsregel toegekend voor de periode 1 april 2009 tot en met 31 maart 2011. Omdat deze tewerkstelling niet een volle werkweek in beslag neemt, aanvaart hij op 29 juni 2010 een tweede tewerkstelling bij [A] BV. In geschil is of belanghebbende voor zijn tewerkstelling bij [A] BV in aanmerking komt voor de 30%-regeling. De Inspecteur heeft de 30% bewijsregel geweigerd omdat belanghebbende op het moment van benoeming reeds actief was in Nederland. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof heeft overwogen dat de ratio van artikel 9c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB) meebrengt, dat de driemaandenvoorwaarde alleen geldt indien een eerdere tewerkstelling is geëindigd. Indien echter een bestaande, voor de 30%-regeling kwalificerende, tewerkstelling in stand blijft, is er volgens het Hof geen reden om de eis te stellen dat de tewerkstelling bij de nieuwe inhoudingsplichtige binnen drie maanden na de eerdere tewerkstelling tot stand komt A-G Niessen concludeert dat artikel 9c UBLB ziet op gevallen waarin een in Nederland verrichte dienstbetrekking waarvoor de beschikking is afgegeven, wordt beëindigd en binnen drie maanden daarna als het ware wordt opgevolgd door een nieuwe dienstbetrekking bij een andere inhoudingsplichtige. De feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de dienstbetrekking van belanghebbende bij [C] Holding NV slechts voor een deel voorzag in een nieuwe dienstbetrekking in plaats van de oude, en dat het meer dan drie maanden heeft gekost vooraleer ook wat betreft het andere deel daarin werd voorzien. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarde die artikel 9c UBLB stelt. Deze benadering is in overeenstemming met de ratio van het artikel, te weten dat de faciliteit alleen overgaat op een nieuwe dienstbetrekking wanneer het niet meer dan drie maanden kost om voor de invulling van eerder verrichte werkzaamheden een opvolgende betrekking te vinden. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken