Conclusie A-G van Hilten 14 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1366
Belanghebbende exploiteert kleding- en textielwinkels in Nederland en in diverse andere lidstaten van de Europese Unie. Het hoofdkantoor en het distributiecentrum van belanghebbende zijn gevestigd in Nederland. De voor de verkoop bestemde goederen worden door belanghebbende ingevoerd uit derde landen en verpakt en wel naar het distributiecentrum gebracht. In het distributiecentrum wordt een deel van de zogenoemde secundaire verpakkingen, met name karton en plastic, verwijderd. Het karton wordt vervolgens geplet en tot balen geperst. Het plastic wordt verzameld in grote plastic zakken. Belanghebbende verkoopt de verwijderde (en, wat betreft het karton, geplette) verpakkingen aan karton-, en plastic verwerkende bedrijven. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende zich ontdoet van deze verpakkingen in de zin van artikel 82, lid 1, onderdeel b, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm), in welk geval zij verpakkingenbelasting is verschuldigd over deze verpakkingen. De Rechtbank ’s-Gravenhage kwam tot het oordeel dat belanghebbende over de verwijderde en verkochte verpakkingen verpakkingenbelasting is verschuldigd. Zij overwoog dat voor de betekenis van het begrip ‘zich ontdoen van’ als bedoeld in artikel 82, lid 1, onderdeel b, van de Wbm, aansluiting moet worden gezocht bij het begrip ‘verwijderen’ dat wordt gebezigd in de Europese richtlijnen betreffende verpakkingen respectievelijk afvalstoffen. Voorts overwoog de Rechtbank dat de manier waarop verwijderde verpakkingen uit de beschikkingsmacht van de importeur geraken voor de verschuldigdheid van de verpakkingenbelasting niet ter zake doet. Belanghebbende heeft (sprong)cassatie ingesteld. In deze conclusie bespreekt A-G van Hilten de verpakkingenbelasting en de voor de onderhavige zaak relevante wetsartikelen. Centraal hierbij staat het begrip ‘zich ontdoen van’ als bedoeld in artikel 82, lid 1, onderdeel b, van de Wbm. A-G van Hilten komt tot de slotsom dat de wetsgeschiedenis, noch de Verpakkingenrichtlijn en het verpakkingenbesluit, bij welke regelingen de verpakkingenbelasting in de Wbm zich aansluit wat betreft begripsomschrijvingen, uitsluitsel geven over de invulling van het begrip ‘zich ontdoen van’. Hoewel de A-G de Rechtbank niet volgt in de opvatting dat ‘zich ontdoen’ in de Wbm dezelfde inhoud heeft als ‘verwijdering’ in de zin van de Europese richtlijnen inzake afvalstoffen- (en Verpakkingen), meent zij dat de Rechtbank – gelet op artikel 8 van de zogenoemde Afvalstoffenrichtlijn, de ratio van artikel 82, lid 1, onderdeel b, van de Wbm, en het spraakgebruik, per saldo niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij haar oordeel dat het zich ontdoen van een secundaire verpakking inhoudt dat de verpakking van het product wordt gescheiden en buiten de beschikkingsmacht van de importeur wordt gebracht. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl