Conclusie A-G Wattel 13 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1365
Winstaandeelheffing van olie- en gaswinningsbedrijven op het Nederlandse continentale plat. Uitzondering voor winst uit ‘derdengebruik’ van installaties. Betalingen die de belanghebbende als mede-eigenaresse van platforms van zichzelf ontvangt als gebruiker van die platforms; unitization agreements met (mede)vergunninghouders; ongelijke verhoudingen in mede-eigendom, mede-vergunninghouderschap en gebruik Feiten: De belanghebbende is (mede)houdster van gaswinningsvergunningen voor de blokken [A], [B/C], [D] en [E] op het continentaal plat. De Mijnbouwwet belast de winst van het winningsbedrijf met staatsaandeel, dat per winningsbedrijf (per vergunning) wordt vastgesteld. Omdat gasvelden over de blokgrenzen heen lopen, hebben de verschillende vergunninghouders unitisation agreements (UA’s) gesloten die de verdeling van de met de winning behaalde opbrengsten en van de daarvoor gemaakte kosten tussen de deelnemende vergunninghouders regelen. In de blokken [B/C] en [BB] staan behandel- en compressieplatforms waarvan zij mede-eigenaar is. Zij is geen vergunninghouder in blok [BB]. Als de verhoudingen in gebruik, eigendom en vergunningsaandeel niet overeenstemmen (als er derdengebruikers zijn), wordt voor het gebruik van de platforms een vergoeding berekend ad drie maal de kosten ervan. De UA-vergunninghouders/mede-eigenaren betalen aldus ook aan zichzelf en ontvangen ook van zichzelf. Opbrengt van derdengebruik valt volgens de wetsgeschiedenis niet binnen het winningsbedrijf (buiten de ring fence) en daarover wordt dus geen winstaandeel geheven. In geschil is of en zo ja, in hoeverre belanghebbendes ontvangsten/betalingen van/aan zichzelf als medevergunninghouder c.q. mede-eigenaar binnen de ring fence vallen. Het gaat daarbij alleen om betalingen/ontvangsten binnen hetzelfde winningsbedrijf (binnen dezelfde vergunning), dus om betalingen/ontvangsten door een vergunninghouder/gebruiker aan/van dezelfde vergunninghouder als mede-eigenaar, waarbij de mede-eigendom van het platform behoort tot het vermogen van het winningsbedrijf dat ook gebruik maakt van dat platform. Het gaat dus niet om betaling/ontvangst door het ene winningsbedrijf/vergunning binnen dezelfde belanghebbende aan het andere winningsbedrijf/vergunning binnen dezelfde belanghebbende, maar om betaling/ontvangst binnen één en hetzelfde winningsbedrijf binnen dezelfde belanghebbende. De Rechtbank meende dat, hoewel de overeenkomsten tussen de medevergunninghouders ertoe leiden dat zij vergoedingen aan elkaar in rekening brengen voor het gebruik van platforms waarvan zij mede-eigenaar zijn, het winstaandeelresultaat niet kan worden gecorrigeerd op de grond dat een gedeelte van de ontvangst van de vergoedingen buiten de heffing van winstaandeel valt, nu de berekende gebruiksvergoedingen niet onzakelijk zijn. Het Hof daarentegen meende dat voor zover de eigenaren van het platform het zelf gebruiken voor hetzelfde winningsbedrijf als dat tot het ondernemingsvermogen waarvan dat platform behoort, er geen sprake is van verhuur aan/door derden (aan/door een andere (mede)vergunninghouder), maar alleen van rekengrootheden. Het Hof achtte het hogere beroep van de Inspecteur gegrond. In cassatie bestrijdt de belanghebbende ‘s Hof oordeel met rechts- en motiveringsklachten die in wezen haar voor de Rechtbank en het Hof ingenomen standpunt(en) herhalen dat ook betalingen/ontvangsten aan/van zichzelf binnen hetzelfde winningsbedrijf buiten de ring fence vallen c.q. geen betalingen/ontvangsten binnen hetzelfde winningsbedrijf zijn, maar iets anders zijn, nl. derdengebruik zoals bedoeld in de wetsgeschiedenis. A-G Wattel acht de vaststellingen van het Hof dat (i) volgens de UA [F] de belanghebbende bedragen is verschuldigd als gebruiker van platforms die zij deels zelf ontvangt als mede-eigenaar van diezelfde platforms en (ii) berekening van vergoeding achterwege blijft ter zake van het gebruik van platform [C] omdat dat – anders dan de [F]-platforms – gezamenlijk eigendom is van alle UA-participanten, niet onverenigbaar met ’s Hofs oordeel dat de verschuldigdheid en de gerechtigdheid van de volgens de UA berekende gebruiksvergoedingen tegen elkaar wegvallen als rekengrootheden (of populair gezegd: vestzak-broekzak), ook niet als die volgens de UA berekende vergoedingen daadwerkelijk door de belanghebbende aan zichzelf betaald (en dus ook door haarzelf van zichzelf ontvangen) zijn. De klacht dat het Hof de term ‘opbrengst van het winningsbedrijf’ verkeerd uitlegt, nu de wetgever ongelijke behandeling wilde uitsluiten van vergunninghouders die zelf (mede)eigenaar zijn van een installatie en vergunninghouders die gebruiksvergoeding betalen aan een afzonderlijke vennootschap of een derde die niet is onderworpen aan winstaandeel, berust volgens de a-g op verkeerde lezing van de wetsgeschiedenis. De medewetgever wilde rechtsongelijkheid voorkomen “ten opzichte van ondernemingen die dit derdengebruik hebben ondergebracht in afzonderlijke, niet-winstaandeelplichtige ondernemingen”. Beoogd werd dus rechtsgelijkheid tussen vergunninghouders die vanuit hun winningsbedrijf installaties aan derden verhuren en vergunninghouders die verhuur van installaties aan derden in een aparte rechtspersoon hebben ondergebracht. Het citaat gaat dus niet over eigen gebruik. Belanghebbendes tweede middel verdedigt een standpunt dat ertoe zou leiden dat twee mede-eigenaren die elk voor de helft gerechtigd zijn tot de opbrengst van een platform in een blok waarin zij eveneens elk voor de helft (mede)vergunninghouder zijn, elk 50% van de ‘ontvangsten’ die zij vanwege een tussen hen afgesproken UA ontvangen als derdengebruik kunnen aanmerken. Dat is volgens de a-g in strijd met de bedoeling van de wetgever, met de tekst van de Mijnbouwwet en met de totaalwinstregel die ook voor de winstaandeelheffing geldt. Bovendien benadrukt de belanghebbende zelf dat er juist géén (fiscaal)juridisch als separaat te beschouwen samenwerkingsverband (afgescheiden vermogen) bestaat waaraan de betalingen van elk van de vergunningshouders/gebruikers fiscaal-juridisch zouden kunnen worden toegerekend en van waaruit vervolgens vergoedingen zouden worden ontvangen door dezelfde vergunninghouders/thans als mede-eigenaren. Het derde middel is vooral erg rekenkundig. Als men door die nogal ampele berekeningen heenkijkt, komt dit middel volgens de a-g op hetzelfde neer als middel (ii), zij het niet bezien vanuit de (mede)eigenaar/ontvanger, maar vanuit de (mede)vergunninghouder/ gebruiker. Het middel maakt niet duidelijk welk concreet feitelijk oordeel van het Hof de belanghebbende met welke concrete motiveringsklacht bestrijdt. De a-g acht overigens ’s Hofs oordeel over de toerekening van betalingen en ontvangsten ter zake van platform [CC] aan belanghebbendes winningsvergunningbedrijf in blok [E] niet onbegrijpelijk. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl