Conclusie A-G Wattel 25 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1152

Fiscaal ruisende inbreng van ondernemingsvermogen in een BV, grotendeels tegen creditering. Beroep op inbrengvrijstelling art. art. 15(1)(e) Wet BvR voor de onroerende zaken in het ondernemingsvermogen. Crediteringsmaximum in art. 5 UBvR (10%) onverbindend wegens overschrijding van gedelegeerde regelgevingsbevoegdheid? Feiten: Bij de oprichting van de belanghebbende hebben haar oprichters elk hun aandelen in een v.o.f. waartoe twee onroerende zaken behoren, ingebracht in de belanghebbende; zij zijn grotendeels gecrediteerd voor hun inbreng. Ter zake van die inbreng van (aandelen in) onroerende zaken heeft de belanghebbende zich op de vrijstelling van overdrachtsbelasting ex art. 15(1)(e) Wet Belastingen van Rechtsverkeer (Wet BvR) beroepen. In geschil is of de belanghebbende beroep toekomt op die inbrengvrijstelling, met name of het crediteringsmaximum (10% van de waarde van de inbreng) in art. 5 UBvR onverbindend is wegens overschrijding van aan de Minister gedelegeerde uitvoeringsbevoegdheid. De Rechtbank en het Hof achtten art. 5 UBvR niet onverbindend. Het Hof zag in de zaken HR BNB 1993/199 en HR BNB 2013/47 geen uitsluitsel voor belanghebbendes geval omdat het eerste arrest een geval betrof van vóór de inwerkingtreding van art. 5(2) UBvR, en in het tweede geval de verkrijger een personenvennootschap was, waarop art. 5(2) UBvR niet van toepassing is. Volgens het Hof heeft de Minister met art. 5(2) UBvR zijn bevoegdheid niet overschreden, nu (i) uit de parlementaire geschiedenis van art. 15(1)(e) Wet BvR blijkt dat de wetgever situaties zoals die van de belanghebbende onder ogen heeft gezien en kennelijk ermee heeft ingestemd dat de door de Minister aangekondigde nadere voorwaarden zouden worden gesteld en (ii) de gedelegeerde bevoegdheid ruim is geformuleerd. Omdat belanghebbendes standpunt wel pleitbaar is, heeft het Hof de boetebeschikking vernietigd. In cassatie herhaalt de belanghebbende dat de genoemde voorwaarde in art. 5(2) UBvR niet verbindt wegens overschrijding van gedelegeerde regelstellingsbevoegdheid. A-G Wattel merkt op dat de tekst van art. 15(1)(e)(2̊) Wet BvR (inbreng in kapitaalvennootschappen) is gewijzigd na het wijzen van HR BNB 1993/199 en dat de tekst wat betreft voorwaarden en parlementaire geschiedenis afwijkt van de tekst van art. 15(1(e)(1̊) Wet BvR (inbreng in personenvennootschappen) (tekst vóór 2000) waarover HR BNB 2013/47 ging. Art. 15(1)(e)(2̊) (kapitaalvennootschappen) Wet BvR is in 1996 herzien en de voorwaarden voor haar toepassing zijn toen opgenomen in het UBvR, terwijl art. 15(1)(e)(1̊) Wet BvR (personenvennootschappen) pas in 2000 is gewijzigd en de wettekst zelf sindsdien een crediteringsmaximum stelt. Hoewel in HR BNB 2013/47 (over personenvennootschappen; jaar 1999) nog is herhaald dat geen goede grond bestaat om bij de vraag in hoeverre een onroerende zaak door een vennootschap bij inbreng is verkregen, betekenis toe te kennen aan creditering, is dat arrest voor belanghebbendes geval dus niet relevant, nu de wetgever sinds 1996 voor kapitaalvennootschappen en sinds 2000 voor personenvennootschappen een andere koers vaart. Uit de MvT bij (thans) art. 15(1)(e) Wet BvR blijkt dat de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur voorwaarden te stellen aan de inbrengvrijstelling van art. 15(1)(e) Wet BvR voor kapitaalvennootschappen in de wet is opgenomen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van die vrijstelling bestaande uit het inkleden van verkoop van een onroerende zaak als inbreng van een onderneming in een kapitaalvennootschap. De medewetgever gaf expliciet aan te willen aansluiten bij de standaardvoorwaarden die golden voor geruisloze omzetting in een BV in de inkomstenbelasting. De zesde van die standaardvoorwaarden bevat het crediteringsmaximum van 10%. Het in art. 5(2) UBvR gestelde crediteringsmaximum vindt dus wel degelijk een wettelijke basis in art. 15(1)(e) Wet BvR en de wetgever had kennelijk, anders dan in de zaak HR BNB 2007/271 (waarin de besluitgever de eis van ‘bedrijfsmatige exploitatie’ stelde voor de vrijstelling wegens 'verbetering van de landbouwstructuur') wel de wens een zo vergaande bevoegdheid aan de besluitgever te delegeren. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken