Conclusie A-G Wattel 30 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1050

Assurantiebelasting; begrip verzekering; ‘Pechpas’ die tegen jaarlijkse bijdrage recht geeft op hulp bij pech onderweg met fietsen, rolstoelen en elektonische scooters; verzekering voor de Wet BvR? Is de belanghebbende verzekeraar? Feiten: De belanghebbende geeft een pechpas uit die tegen een jaarlijkse bijdrage recht geeft op pechhulp aan gebruikers van (elektrische) fietsen, rolstoelen en elektrische scooters. De pechhulp bestaat uit kosteloze reparatie of, als reparatie ter plekke niet mogelijk is, kosteloos vervoer van pashouder en vervoersmiddel naar huis of vertrekpunt. De kosten van onderdelen worden niet door de pechpas gedekt. In geschil is of de belanghebbende assurantiebelasting verschuldigd is over de vergoeding die zij pechpashouders jaarlijks in rekening brengt, met name of de pechpas een verzekering, en de belanghebbende een verzekeraar is in de zin van de Wet BvR. De Rechtbank heeft het pechpascontract als een verzekering en de belanghebbende als verzekeraar aangemerkt. Het Hof daarentegen zag geen (schade)verzekerings-overeenkomst in de zin van art. 20 Wet BvR. Cassatiemiddel Staatssecretaris: het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de pechhulpovereenkomst in overwegende mate ertoe strekt hulp te bieden dat zij om die reden niet is aan te merken als verzekering in de zin van art. 20 Wet BRV. Incidenteel cassatiemiddel belanghebbende: belanghebbende is geen verzekeraar in de zin van art. 25 Wet BvR. A-G Wattel constateert dat de BvR-wetgever het aan de rechter heeft overgelaten om het verzekeringsbegrip voor de assurantiebelasting in te vullen, daarbij kennelijk uitgaande van de civielrechtelijke verzekeringsovereenkomst. Vaste (feiten)rechtspraak is dan ook dat het civielrechtelijke verzekeringsbegrip uitgangspunt is, met fiscale afwijking daarvan voor zover doel en strekking van de assurantiebelasting daartoe nopen. Hij meent dat het Hof een te enge maatstaf heeft aangelegd door de nadruk te leggen op de vraag of vermogensschade wordt geleden en vermogensschade beperkt op te vatten als fysieke schade. Het belastbare feit voor de assurantiebelasting is echter niet ‘fysieke vermogensschadeverzekering’, maar ‘verzekering.’ Het systeem van de assurantiebelasting is dat alle verzekeringen belast zijn, tenzij uitgezonderd. Het Hof gaat er voorts kennelijk van uit dat een overeenkomst geen verzekering voor de assurantiebelasting kan zijn als zij civielrechtelijk geen (vermogensschade)verzekeringsovereenkomst is. Ook dat uitgangspunt lijkt de A.-G. te eng. Overigens is de pechpasovereenkomst zijns inziens ook civielrechtelijk een verzekeringsovereenkomst, nu risico wordt overgedrage, de uitkeringsplicht (in natura) afhangt van een bij het sluiten van de overeenkomst onzeker voorval (de pech), en de risico-overdrager jaarlijks een bedrag betaalt (de ‘premie'). De vergoede vermogensschade bestaat uit de kosten die de pashouder zich bespaart: de voorrijkosten en het arbeidsloon c.q. de kosten van thuisbrengen, die door de belanghebbende worden gedragen. Deze uitleg van het begrip verzekering in de Wet BvR sluit ook beter aan bij de vrijstelling voor verzekeringsdiensten in de Wet op de omzetbelasting. De pechpas is volgens de A.-G. geen servicecontract omdat bij alleen onderhoud geen onvoorzienbaar ‘onzeker voorval’ aan de orde is. Ook een servicecontract dat tussentijdse mankementen dekt, betreft nog steeds overwegend onderhoud en slechts bijkomstig pechhulp, waardoor het verzekeringsachtige opgaat in het preponderante onderhoudsaspect. In casu gaat het niet om onderhoud, maar alleen om het (in natura) wegnemen van de nadelige gevolgen van onzekere voorvallen, óók indien de pashouder strandde op een niet-onderhouden barrel. Incidenteel stelt de belanghebbende dat zij niet kan gelden als verzekeraar omdat de Wet financieel toezicht (Wft) haar juist uitzondert van toezicht. De Wft heeft echter een ander doel (markt(stabiliteits)toezicht, consumentenbescherming), waardoor (de uitzonderingen op) het verzekeraarsbegrip in die wet niet leidend kan (kunnen) zijn voor het verzekeraarsbegrip in de Wet BvR. Conclusie: principaal cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond; belanghebbendes incidentele beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken