Conclusie A-G Silvis 6 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX8742
Jeugdzaak. Bewijsuitsluiting. Art. 9.4 Politiewet 1993. Art. 28 en 29 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit). Art. 9.4 Politiewet 1993 jo. art. 28.1 en art. 29 Besluit, verleent aan de daar bedoelde ambtenaren de bevoegdheid om, voorafgaand aan de insluiting op het politiebureau, de ingeslotene te onderzoeken door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen, waarbij onder specifiek genoemde omstandigheden van de ingeslotene bovendien kan worden verlangd zich van zijn kleding te ontdoen. Blijkens de ontstaansgeschiedenis van deze bepalingen valt onder deze bevoegdheid in ieder geval niet een “onderzoek aan en in het lichaam”. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte i.h.k.v. de insluitingsfouillering is onderzocht “aan het lichaam” en geoordeeld dat de op die wijze bij verdachte aangetroffen verdovende middelen rechtmatig zijn verkregen. Dat oordeel getuigt tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is weergegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl