Conclusie A-G Vegter 30 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX4537

WOTS. Overname Duitse ontnemingsmaatregel. De klacht dat de Rb haar oordeel dat voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de feiten geen plaats is, ten onrechte heeft gegrond op Kaderbesluit nr. 2006//783/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 6 okt. 2006 (PbEU L 328/59) inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie, is op de gronden vermeld in de conclusie van de AG onder 14 t/m 19 terecht voorgesteld. E.e.a. behoeft niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te leiden. De Rb heeft vastgesteld dat het onderhavige verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie van wvv door de verzoekende Staat is gebaseerd op het Witwasverdrag. Op de behandeling van een op het Witwasverdrag gegrond verzoek zijn de bepalingen van de WOTS toepasselijk. Krachtens art. 14.2 Witwasverdrag is (de rechter in) de aangezochte Staat gebonden aan de vaststellingen van feiten, voor zover deze feiten zijn uiteengezet in de rechtelijke uitspraak waarvan erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, of voor zover die rechterlijke uitspraak impliciet op de vaststelling van deze feiten berust. Ook in art. 28.3 WOTS is bepaald dat de rechter bij beoordeling van een verzoek als het onderhavige is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het oordeel van de Rb dat voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de feiten geen plaats is, is derhalve juist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen