Conclusie A-G Knigge 11 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX4101

Saban B. 1. Art. 318.1 Sv, verplaatsing tz. Art. 539a Sv. 2. Art. 420.1 Sv en 316.2 Sv, verzoek horen verdachte door Rh-C. 3. Opnames van getuigenverhoren afgelegd bij de Rh-C. 4. Motivering opgelegde gb. Ad 1. Op gronden als vermeld in HR LJN AA8965 heeft het Hof het verzoek tot tijdelijke verplaatsing van zijn tz naar Turkije terecht afgewezen. De omstandigheid dat de tekst van het nadien gewijzigde art. 318.1 Sv (vervallen van de woorden: “doch binnen haar rechtsgebied”) niet meer in de weg staat aan verplaatsing van de tz buiten het gebied van het gerecht leidt niet tot een ander oordeel. Ad 2. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat art. 420 Sv (jo. art. 316.2 Sv) niet voorziet in het doen horen van een verdachte door een door een Hof uit zijn midden aan te wijzen Rh-C. Ad 3. Het Hof heeft buiten de tz kennis genomen van de opgenomen verhoren van getuigen gehoord door de Rh-C. De opvatting dat de beginselen van een goede procesorde meebrengen dat het Hof de beelden ambtshalve - zonder dat daarom door de verdediging is verzocht - tz zou moeten bekijken vindt geen steun in het recht. Vzv. het middel klaagt over schending van art. 340 Sv miskent het dat van het gebruik als bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter geen sprake is. Ad 4. De in het middel vervatte opvattingen dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de gb die hij overweegt op te leggen rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wvv leidt tot toewijzing van die vordering en dat de rechter bij het bepalen van de hoogte van de gb moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wvv de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen vinden geen steun in het recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen