Conclusie A-G Vellinga 31 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BT7110

Economische zaak. Meststoffenwet, Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen (Interimwet). 1. Rechtsbescherming verdachte. 2. Vaststelling referentiehoeveelheid. 3. Verwerping verweer m.b.t. referentiehoeveelheid. Wettelijk kader: Voor de toegestane hoeveelheid te produceren dierlijke meststoffen van kippen als bedoeld in art. 55 (oud) Meststoffenwet - zijnde het in een hoeveelheid geproduceerd fosfaat (de referentiehoeveelheid) uitgedrukt mestproductierecht (art. 1.aa (oud) Meststoffenwet) en het daarvan afgeleide pluimveerecht - is bepalend het aantal henne-eenheden (het referentieaantal) als bedoeld in art. 1.1 Interimwet. Het aantal kippen waarover het bedrijf (gebruikelijk) beschikte op de peildatum in 1984 geldt als uitgangspunt voor de te hanteren norm. Uitbreiding van dat aantal en de daarmee gepaard gaande vergroting van de mestproductie is ex art. 2 Interimwet verboden. Daarop worden in art. 3 en 4 van die wet enkele uitzonderingen geboden. Ad 1. N.a.v. de bijstelling naar beneden door de minister van het aantal door verdachte i.h.k.v. de Meststoffenwet opgegeven leghennen, heeft het Hof ambtshalve beoordeeld of er een manco is in de rechtsbescherming van verdachte en deze vraag ontkennend beantwoord. De tegen dit oordeel opgeworpen motiveringsklachten missen belang. Ad 2. Met juistheid heeft het Hof met verwijzing naar HR LJN ZC2975 geoordeeld dat de strafrechter niet tot taak heeft de referentiehoeveelheid vast te stellen. Ad 3. Het Hof heeft 3 argumenten die ten grondslag zijn gelegd aan een verweer m.b.t. de referentiehoeveelheid buiten beschouwing mogen laten omdat die niet betrekking hadden op 1 van de in art. 3 en 4 Interimwet voorziene uitzonderingen op het uitbreidingsverbod van art. 1.1 Interimwet. Ook de klacht dat het Hof is voorbijgegaan aan de in de Interimwet geboden mogelijkheid dat het referentieaantal wordt bepaald op het aantal dat “gebruikelijk” wordt gehouden in het bedrijf is tevergeefs voorgesteld. Ex art. 1.1 Interimwet is het aan verdachte om het volgens hem gebruikelijke aantal henne-eenheden “genoegzaam” aan te tonen. Dat het Hof hem daarin niet geslaagd acht is niet onbegrijpelijk, gelet op de constatering door het Hof dat er geen “feitelijk bewijs” is dat er vóór 3 november 1984 daadwerkelijk meer dan 15.360 hennen werden gehouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen