Conclusie A-G Machielse 27 september 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3765
Het in strijd met art. 39 jo. art. 36 PBW opnemen van telefoongesprekken is geen vormverzuim begaan bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. Onder verwijzing naar de CAG overweegt de HR dat weliswaar moet worden aangenomen dat het opnemen van de door de verdachte gevoerde telefoongesprekken niet voldeed aan de daaraan ingevolge art. 8 EVRM te stellen eisen, maar bedoeld handelen van de PI kan niet worden begrepen onder een vormverzuim begaan “bij een voorbereidend onderzoek” idzv art. 359a jo. 132 Sv, nu dit immers niet is begaan in het onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde waarover de rechter die in art. 359aSv wordt bedoeld, heeft te oordelen (HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.4.2). Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ttz niet kan volgen dat op enigerlei wijze is tekortgedaan aan het recht van de verdediging om de opgenomen/beluisterde telefoongesprekken te betwisten, kan niet worden gezegd dat aldus een zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel een zodanige veronachtzaming van de rechten van de verdachte tot gevolg heeft gehad, dat het OM in de vervolging n-o zou dienen te worden verklaard of dat de uitkomst van dit onderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten (vgl. HR 18 maart 2003, LJN AF4321, NJ 2003/527).
De uitspraak op rechtspraak.nl