Conclusie A-G Knigge 22 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO9948

WOTS-zaak. Afwijzing getuigenverzoeken. De Rechtbank heeft in haar tussenuitspraak onder meer overwogen dat de OvJ op de voet van art. 26.1 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing de namens veroordeelde opgegeven getuigen te weigeren op te roepen. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van art. 28.6 WOTS en is, gelet op hetgeen aan het verzoek tot het horen van de getuigen ten grondslag is gelegd, naar behoren met redenen omkleed. Voorts heeft de Rechtbank in haar einduitspraak de verzoeken tot het horen van de op de terechtzitting opgegeven getuigen als niet ter zake doende onderscheidenlijk als irrelevant afgewezen. Deze afwijzing moet aldus worden verstaan dat de Rechtbank de noodzaak tot het horen van die getuigen niet is gebleken. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de te dezen ingevolge art. 315 Sv in verbinding met art. 28.4 WOTS toepasselijke maatstaf en is, gelet op de onderbouwing van het verzoek, toereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen