Conclusie A-G Vegter 1 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO8019
Economische zaak. Geldigheid appeldagvaarding. O.g.v. ‘s Hofs niet onbegrijpelijke vaststelling dat als gevolg van een kennelijke - dus ook voor verdachte kenbare - omissie in de appeldagvaarding niet is vermeld dat hij op de terechtzitting van de economische kamer van het Hof diende te verschijnen, heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat zijn verschijning voor die kamer van het Hof werd verlangd, niettegenstaande de omstandigheid dat de appeldagvaarding inhield dat hij diende te verschijnen voor "het gerechtshof". Dat oordeel is feitelijk en in het licht van 's Hofs overige vaststellingen niet onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl