Conclusie A-G Vegter 16 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN0008
Aanzegging getuige om op de nadere t.z. weer aanwezig te zijn. Het verzoek van de rm is een verzoek a.b.i. art. 319.3 jo. 331.2 jo. 415 Sv. Het Hof had dienen te bepalen dat de aanwezigheid van de getuige bij de nadere behandeling wordt vereist, tenzij het van oordeel is dat door niet inwilliging van het verzoek verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Van de naleving van dit voorschrift blijkt noch uit de pv’s t.t.z. in h.b. noch uit het bestreden arrest. In aanmerking genomen evenwel dat de getuige - die ook verdachte is in dit onderzoek - toen hij t.t.z. als getuige is gehoord heeft verklaard dat hij zich t.a.v. elke vraag die hem wordt gesteld op zijn verschoningsrecht beroept en dat de rm op de nadere t.z. waar de getuige niet is verschenen, niet heeft gepersisteerd bij zijn verzoek om hem nogmaals als getuige te horen, heeft verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat het Hof heeft verzuimd de getuige aan te zeggen dat hij op de nadere t.z. zonder nadere oproeping weer aanwezig diende te zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl