Conclusie A-G Vellinga 14 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9118

Economische zaak. 1. Afwijzing aanhoudingsverzoek. 2. Verjaring. Artt. 70, 71 en 72 Sv. Ad 1: HR herhaalt relevante overwegingen t.a.v. een verzoek ex art. 278.3 Sv uit HR LJN AT5663. Hof heeft gemotiveerd beslist op aanhoudingsverzoek. Gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing heeft aangevoerd en gelet op de periode tussen het instellen van het appel en het aanhoudingsverzoek, is afwijzing niet onbegrijpelijk. Ad 2: De t.l.l. is toegesneden op art. 16.1 Natuurbeschermingswet 1998. Overtreding van deze bepaling, vzv. opzettelijk begaan, wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. O.g.v. art. 6.1.2º, WED jo art. 70.1.2°, Sr beloopt de verjaringstermijn zes jaren. Nu tussen de betekening van de inleidende dagvaarding enerzijds en een deel van de tlgd. periode anderzijds meer dan zes jaren zijn verlopen zou - ingevolge art. 70.1.2°, Sr - het recht tot strafvordering vóór de behandeling in h.b. zijn verjaard, tenzij de verjaring ingevolge art. 72 Sr door een daad van vervolging mocht zijn gestuit. Hieruit vloeit de mogelijkheid voort dat het OM ten tijde van de behandeling in h.b. slechts voor een deel van de tlgd. periode ontvankelijk was in zijn vervolging ter zake van het onder 3 tlgd. Dit brengt mee dat het hof - dat ingevolge art. 348 jo art. 425 en 415 Sv een onderzoek moest instellen naar de ontvankelijkheid van het OM - ervan had moeten doen blijken of een zodanig onderzoek heeft plaatsgevonden. Nu het hof niet aan die eis heeft voldaan, is de bestreden uitspraak niet met redenen omkleed.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen