Conclusie A-G Machielse 20 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL3144
Cassatie in het belang der wet. Artt. 71, 80, 86 en 87 Sv. Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. O.g.v. art. 86 Sv is de rechter die hetzij in e.a. hetzij in hb over de voorlopige hechtenis beslist, bevoegd om op vordering van het OM, op verzoek van verdachte of ambtshalve de voorlopige hechtenis te schorsen. Die bevoegdheid tot schorsing van de voorlopige hechtenis komt dus aan het hof niet alleen toe wanneer het is geroepen te beslissen inzake de voorlopige hechtenis nadat appel is ingesteld in de strafzaak zelve, maar tevens, naar volgt uit de wetsgeschiedenis, wanneer o.g.v. art. 71 Sv hb is ingesteld tegen een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het hof bevoegd is de voorlopige hechtenis te schorsen wanneer het o.g.v. art. 87.2 Sv in hb oordeelt omtrent de afwijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
De uitspraak op rechtspraak.nl