Conclusie A-G Machielse 6 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK6346

OM-cassatie. Bouwfraude-zaak. Art. 177 (oud) Sr. 1. HR ambtshalve: verjaring. 2. n.o.-verklaring OM. Ad 1. De HR herhaalt relevante r.o. m.b.t. de verjaring uit HR LJN BK1998 en LJNBK6357. Bij de inwtr. op 1-2-2001 van de wijziging van art. 177 Sr waren de tlg-de feiten nog niet verjaard. Dit brengt mee dat bij de vaststelling van de verjaringstermijn moet worden uitgegaan van het nieuwe strafmaximum. O.g.v. art. 70.1.3° Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring i.c. derhalve in 12 jaren. In aanmerking genomen dat er in de eerste 12 jaren na de aanvang van de verjaringstermijn verschillende daden van vervolging zijn verricht, en gelet op de omstandigheid dat ingevolge art. 72.2 Sr na een stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt, zijn de tlg-de feiten niet verjaard. Ad 2. De HR constateert motiveringsgebreken in ’s Hofs oordeel aangaande de n.o.-verklaring van het OM. Daarbij zij opgemerkt dat onredelijke, aan het OM toe te rekenen vertraging van de procesgang, op zichzelf beschouwd, niet leidt tot de n.o.-heid van het OM in de vervolging, maar bij de strafoplegging in aanmerking moet worden genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen