Conclusie A-G Bleichrodt 15 september 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BJ2769

HR: 81RO. 1. Ambtshalve: verjaring. 2. Ambtshalve: art. 14a Sr. Ad 1. De feiten zijn begaan in de periode van 12-7-96 t/m 29-1-99. Op grond van art. 70.2° jo 72.2 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Voor zover de tenlastegelegde feiten zouden zijn begaan in de periode vóór 15-9-97 is, gelet op de datum van de uitspraak van dit arrest, derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. De HR vernietigt de uitspraak in zoverre en verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk. Voor vermindering van de opgelegde straf bestaat onvoldoende grond, aangezien de aard en ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard niet worden aangetast door de partiële niet-ontvankelijkverklaring. Ad 2. Het hof heeft ten onrechte toepassing gegeven aan art. 14a.1 Sr zoals die bepaling sinds 1-2-06 luidt, op voor die datum gepleegde strafbare feiten (vgl. HR LJN AX1662). Dit zou dienen te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging en ver- of terugwijzing van de zaak in zoverre. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, waaronder het belang van een doelmatige rechtspleging, doet de HR de zaak zelf af en vermindert de door het hof opgelegde gevangenisstraf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen