Conclusie A-G Vegter 13 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI2156

Art. 6 EVRM jo. art. 34.2 Sv en art. 21 Besluit orde van dienst gerechten. Afwijzing verzoek tot het verstrekken van afschriften van de processtukken. De opvatting dat de enkele omstandigheid dat aan verdachte, niettegenstaande diens daartoe gedane verzoek(en), geen afschriften van de processtukken zijn verstrekt, meebrengt dat geen sprake kan zijn van een berechting die voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM, is onjuist. Het oordeel van het Hof dat de niet van rechtsbijstand voorziene verdachte van de hem gegeven tijd en mogelijkheden om de verdediging voor te bereiden geen gebruik heeft gemaakt, waarbij het Hof verdachte kennelijk verwijt geen inzage te hebben verzocht doch "slechts" te hebben gevraagd om een integrale kopie van het procesdossier, is immers niet zonder meer begrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat aan verdachte, in strijd met de wettelijke regeling, voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting geen afschriften van de processtukken zijn verstrekt. Ook de vaststelling dat verdachte t.t.z. van het Hof in de gelegenheid is gesteld om in het bijzijn van een tolk de stukken in te zien en verdachte daarvan geen gebruik heeft willen maken, kan de bestreden beslissing niet dragen, nu de aldus geboden mogelijkheid niet zonder meer op een lijn kan worden gesteld met de in de wet voorziene, maar i.c. niet aan verdachte gegeven mogelijkheid om de verdediging met de hem ter beschikking gestelde processtukken voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting voor te bereiden. In dat verband komt evenmin gewicht toe aan de door het Hof van belang geachte omstandigheid dat t.t.z. aan verdachte de hem verweten gedragingen zijn voorgehouden in het bijzijn van een tolk. ‘s Hofs oordeel is ontoereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen