Conclusie A-G Vellinga 13 januari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH0185

1. Onjuiste uitleg vergunningsvoorschrift. 2. Geen sprake van medeplegen. Ad 1. Het middel, dat berust op de stelling dat het Hof bij de uitleg van het vergunningsvoorschrift zich niet had mogen beperken tot de bewoordingen van dit voorschrift en tot het ontbreken in de vergunning van elke verwijzing naar een toetsing op jaarbasis, doch bij die uitleg had behoren te betrekken dat de wetgever in de Meststoffenwet, de (Interim)wet ammoniak en veehouderij, en de Wet Herstructurering Varkenshouderij rekent met jaargemiddelden, faalt. De uitleg van een vergunningsvoorschrift als het onderhavige is van feitelijke aard, zodat ’s Hofs oordeel slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst (vgl. HR NJ 1995, 695). Een dergelijk oordeel kan in cassatie dan ook niet met vrucht met een rechtsklacht worden bestreden. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat verdachte zo nauw en volledig met de A B.V. heeft samengewerkt bij de exploitatie van de varkenshouderij dat te dezen sprake was van het medeplegen van het tlg. feit, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is -mede gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen- toereikend gemotiveerd. Hetgeen names de verdachte is aangevoerd, noopte het Hof niet tot bredere motivering van dat oordeel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen