Conclusie A-G Vellinga 9 december 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BG4204
Antilliaanse uitleveringszaak. 1. Ontvankelijkheid. 2. Ne bis in idem. Ad 1. HR herhaalt t.a.v. de ontvankelijkheid HR LJN BD1833: vzv. het beroep zich niet richt tegen de beslissingen van het Gemeenschappelijk Hof inzake de toelaatbaarheid van de uitlevering kan de o.p. niet worden ontvangen in haar cassatieberoep. Ad 2. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rijkswetgever v.w.b. uitleveringszaken zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het NL uitleveringsrecht en de jurisprudentie van de HR. Art. 5 NAUB heeft, vzv. i.c. van belang, dezelfde strekking als art. 9 Uw. T.a.v. art. 9 Uw heeft de HR geoordeeld dat de omstandigheid dat in NL een strafvervolging gaande is t.z.v. feiten die ook in het verzoek tot uitlevering zijn betrokken aan een toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet in de weg staat. De beoordeling of (vervolgens) de uitlevering i.v.m. een lopende strafvervolging niet kan worden toegestaan, komt toe aan de Minister van Justitie (HR NJ 1981, 318 en HR LJN AZ1984. Gelet hierop komt i.c. het oordeel toe aan de Gouverneur. Opmerking verdient dat de stelling dat een voorlopig gestaakte vervolging een uitleveringsbeletsel oplevert i.d.z.v. art. 5 NAUB gelet op de wetsgeschiedenis genoemd in de conclusie AG en op art. 9b Uw onjuist is.
De uitspraak op rechtspraak.nl