Conclusie A-G Vellinga 18 november 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BF1183

Art. 167a Sv. Klacht verdachte over het niet in de gelegenheid stellen van de minderjarige om haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Voor de sanctie van het n-o verklaren van het OM is eerst plaats indien het OM bij zijn op art. 167.2 Sv gegronde afweging om i.c. van vervolging moet worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend, de mening van de minderjarige niet heeft betrokken en door dit na te laten zodanig in strijd heeft gehandeld met de jegens de minderjarige te betrachten zorgvuldigheid, dat dit in de omstandigheden van het geval moet leiden tot n-o van het OM. De enkele omstandigheid dat de minderjarige, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, door het OM niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken, is niet voldoende om de gevolgtrekking te wettigen dat het OM in redelijkheid niet tot vervolging van verdachte heeft kunnen overgaan. Het komt immers erop aan of door dit verzuim aan de belangen van het kind ernstig is tekortgedaan. In het geval – zonodig achteraf – voldoende duidelijk is gebleken dat het minderjarige slachtoffer geen bezwaar heeft tegen de vervolging van verdachte bestaat voor een n-o geen grond. Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat het slachtoffer in de door haar afgelegde verklaringen kenbaar heeft gemaakt vervolging van verdachte te willen, is ’s Hofs oordeel onjuist, noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen