Conclusie A-G Vellinga 17 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC8684

OM-cassatie. Art. 4 lid 1 en 2 en art. 5 Wet goederenvervoer over de weg (hierna: Wgw). Het in art. 5 Wgw neergelegde verbod richt zich tot eenieder, terwijl de in art. 4 Wgw opgenomen verplichting slechts rust op degenen die als hoofd of bestuurder van een onderneming kunnen worden aangemerkt, dan wel op het toezichthoudend personeel, vzv. het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van de desbetreffende bepalingen is belast. Een rechtspersoon kan derhalve slechts als pleger van overtreding van art. 4 Wgw worden veroordeeld indien hij onder één van die in die bepaling genoemde categorieën kan worden gerangschikt. Dat staat overigens niet eraan in de weg een rechtspersoon in voorkomende gevallen als deelnemer aan het in art. 4 Wgw omschreven strafbare feit aansprakelijk te stellen. Het middel berust op de opvatting dat art. 4 Wgw “geen imperatief gebod om alleen de daarin aangewezen natuurlijke personen en niet de rechtspersoon voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht, strafrechtelijk aansprakelijk te stellen bevat”. Die opvatting is juist, in die zin dat de aansprakelijkstelling van een rechtspersoon voor de naleving van art. 5.1 Wgw kan worden gebaseerd op art. 51 Sr. In zo een geval zal de tll dienen te zijn toegesneden op art. 5.1 Wgw. Uit ’s Hofs overwegingen kan echter niet blijken dat het Hof van een andere – en dus onjuiste – opvatting is uitgegaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de tll is toegesneden op art. 4 Wgw jo. art. 5.1 Wgw en dus niet enkel op art. 5.1 Wgw. Aldus heeft het Hof aan de tll een uitleg gegeven die met haar bewoordingen niet onverenigbaar is en daarom in cassatie moet worden geëerbiedigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen