Conclusie A-G Vellinga 3 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC8658
Redelijke termijn i.g.v. voorlopige maatregel ex artt. 28 en 29 WED. Verweer en middel steunen op de opvatting dat in geval een voorlopige maatregel is opgelegd, de behandeling van de zaak in EA niet binnen 2 jr doch binnen 16 mnd na de oplegging van de voorlopige maatregel dient te zijn afgerond met een eindvonnis en dat de behandeling van de zaak in h.b. binnen 16 mnd na het instellen van het h.b. moet zijn afgerond met een eindarrest. Die opvatting is echter onjuist. Er bestaat onvoldoende grond om bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn van berechting is overschreden de oplegging van een voorlopige maatregel gelijk te stellen aan een bevel tot voorlopige hechtenis dan wel aan de toepassing van het strafrecht voor jeugdige personen. E.e.a. neemt niet weg dat de aard, de duur en de ingrijpendheid van een zodanig maatregel wel factoren vormen die bij genoemde beantwoording dienen te worden meegewogen.
De uitspraak op rechtspraak.nl