Conclusie A-G Bleichrodt 1 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA7255
Profijtontneming. OM-cassatie. Ingevolge art. 36e.6 Sr is de rechter gehouden om bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. Gelet op de ratio van die bepaling brengt redelijke wetstoepassing mee dat met een "in rechte toegekende vordering" als in die bepaling bedoeld, wordt gelijkgesteld een vordering als i.c., die zich hierdoor kenmerkt dat zij is vastgesteld bij een besluit van een bestuursorgaan, dat onherroepelijk is geworden doordat betrokkene daartegen geen bezwaar of beroep heeft ingesteld. Opmerking verdient nog dat de toepassing van art. 36e.6 Sr niet afhankelijk is gesteld van het antwoord op de vraag of de desbetreffende vordering door de benadeelde al dan niet op betrokkene zal worden verhaald, terwijl aan de toepassing van die bepaling geen beperking is gesteld ingeval sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl