Conclusie A-G Vellinga 6 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB4949
De in art. 413.1 eerste volzin Sv voorgeschreven termijn van 10 dgn is niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte en blijkens het p-v van de terechtzitting in hoger beroep verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het onderzoek ttz. o.g.v. art. 413.1 Sv jo. art. 265.3 Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het onderzoek ttz. echter voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert (vgl. HR LJN AD7800).
De uitspraak op rechtspraak.nl