Conclusie A-G Bleichrodt 20 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB2884
Gebruik DNA-vergelijking als bewijs; art. 151a en 151 b Sv en art. 16, 17 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (hierna: Besluit). Begrip verdachte a.b.i. art. 16.1 (oud) Besluit. De vergelijking van een in de databank opgenomen nieuw DNA-profiel van een verdachte met de in die databank opgenomen DNA-profielen die zijn verkregen uit andere zaken, waarin nog geen verdachte bekend is, is een DNA-onderzoek a.b.i. art. 138a Sv (HR LJN AE5654). Het stond de OvJ derhalve o.g.v. art. 151a (oud) Sv en art. 151b.1 Sv vrij om in zaak I - waarin verdachte op dat moment als verdachte was aangemerkt van een misdrijf a.b.i. in art. 151b.1 Sv - in het belang van het onderzoek te bevelen dat van verdachte celmateriaal werd afgenomen t.b.v. een DNA-onderzoek en om het NFI te verzoeken een vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten (waaruit bleek dat verdachtes DNA-profiel overeenkwam met het DNA-profiel van DNA-materiaal van een onbekende verdachte van 3 inbraken). De resultaten van het DNA-onderzoek zijn daarom rechtmatig verkregen. Dat zaak I na de DNA-vergelijking is geseponeerd doet daar niet aan af. Het middel bedoelt kennelijk te betogen dat in strijd met art. 16 (oud) en art. 17 (oud) van het Besluit niet door de OvJ aan het NFI is gemeld dat zaak I was geseponeerd en het NFI, a.g.v. het uitblijven van die melding, het DNA-profiel van verdachte, en de daarbij behorende gegevens, het celmateriaal en het afschrift van het verslag, niet heeft vernietigd en dat vanwege dat verzuim het NFI-rapport niet had mogen worden gebruikt als bewijs voor eerder gepleegde inbraken. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat (de resultaten van) het DNA-onderzoek van groot belang worden geacht voor de opsporing van zowel reeds gepleegde als van toekomstige misdrijven. Voorts kan uit de toelichting op de wijziging van art. 17 Besluit worden afgeleid dat naar de opvatting van de wetgever het bewaren van een DNA-profiel dat na een vergelijking blijkt overeen te komen met het DNA-profiel in een andere zaak, ook voordien toelaatbaar was. Gelet op het systeem van het Besluit en op het doel en de strekking van art. 16 (oud) Besluit dient als ‘verdachte’ a.b.i. art. 16.1 (oud) Besluit te worden aangemerkt: zowel degene van wie het DNA-profiel is vergeleken terwijl hij nog verdachte is in de zaak naar aanleiding waarvan het DNA-profiel is opgemaakt dat is vergeleken met de overige in de DNA-databank opgenomen profielen, als degene tegen wie a.g.v. een DNA-vergelijking een (nieuwe) verdenking is ontstaan t.a.v. een ander misdrijf ex art. 67.1 Sv. In beide gevallen is daarom vernietiging a.b.i. in art. 17 (oud) Besluit niet vereist, omdat dan niet ervan sprake is dat de degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank is vastgelegd “niet langer kan worden aangemerkt als een verdachte” t.z.v. van zo’n misdrijf i.d.z.v. art. 16.1 (oud) Besluit. I.c. heeft het Hof verdachte n.a.v. de DNA-vergelijking kunnen aanmerken als verdachte m.b.t. tot de 3 eerder gepleegde inbraken, die misdrijven zijn ex art. 67.1 Sv. Daarom is ’s Hofs oordeel dat verdachte ook na het sepot in zaak I nog kon worden aangemerkt als een verdachte van een misdrijf ex art. 16.1 (oud) Besluit en dat de DNA-gegevens van verdachte en het op die gegevens gebaseerde NFI-rapport tot het bewijs konden worden gebezigd onjuist, noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl