Conclusie A-G Bleichrodt 18 september 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA7261
Conclusie AG (o.m.): (i) Ogv art. 51 Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de strafvervolging worden ingesteld tegen en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen worden opgelegd aan die rechtspersoon, aan degene die tot dat feit opdracht heeft gegeven of aan de verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven. Het OM staat het daarbij in beginsel vrij te beslissen of de rechtspersoon en/of de leidinggevende en/of de natuurlijke persoon op grond van het eigen daderschap wordt vervolgd. Voorts heeft de HR in HR NJ 1987, 362 overwogen dat wanneer aan een natuurlijk persoon het plegen van het feit is ten laste gelegd de rechter de verdachte persoonlijk te dier zake kan veroordelen indien het nodige bewijs daarvoor voorhanden is. Dat ook vervolging van hem en/of van de rechtspersoon ogv art. 51 Sr mogelijk zou zijn geweest staat daaraan niet in de weg. Ook vormt de omstandigheid dat de baten van het misdrijf ten goede zijn gekomen aan de rechtspersoon geen beletsel tot veroordeling van de verdachte wegens het plegen van het feit. Het Hof heeft het verweer dat verdachte ten onrechte als pleger en/of medepleger is gedagvaard op goede gronden verworpen. (ii) De verwerping van het beroep op rechtsdwaling tav feit 2 is onjuist, noch onbegrijpelijk. HR: 81RO
De uitspraak op rechtspraak.nl