Conclusie A-G Vellinga 30 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5667

Beklag, verschoningsrecht notaris (art. 98 en 125l Sv), ABC-transacties. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AT4418. De Rb heeft het geval voor ogen dat de notaris zich tav de inbeslaggenomen voorwerpen op zijn verschoningsrecht kan beroepen, tenzij zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Hetgeen de Rb heeft vastgesteld kan de gevolgtrekking dat sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden niet dragen. Zij heeft weliswaar overwogen dat het belang van de waarheidsvinding aanwezig is, waarbij kennisneming van de inhoud van het inbeslaggenomene essentieel is voor de voortgang van het onderzoek naar de strafbare feiten waarvan de genoemde verdachten worden verdacht, en daarbij betrokken de omstandigheid dat klager als notaris een rol heeft vervuld bij de ABC-transacties, maar de enkele omstandigheid dat sprake is van zodanig onderzoeksbelang t.a.v. die verdachten is zonder nadere motivering niet voldoende om te kunnen aannemen dat dit belang i.c. moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Daarbij verdient opmerking dat naast vorenbedoeld onderzoeksbelang klager t.t.v. de inbeslagneming niet als verdachte van strafbare feiten of als medeverdachte t.a.v. de strafbare feiten waarop de Rb het oog had, was aangemerkt. Het oordeel van de Rb van 3-2-06 (mbt de inbeslagname van stukken op kantoor) is ontoereikend gemotiveerd, maar dat leidt niet tot cassatie. De inbeslaggenomen voorwerpen zijn i.h.k.v. de strafzaak tegen verdachten X, Y en Z.-B.V. in beslag genomen en zijn later eveneens in beslag genomen in de strafzaak tegen mr. A. De verwerping van heden door de HR van het door klager ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van de Rb van 26-9-06 (mbt de inbeslagname van stukken die zich reeds in het kabinet RC bevonden) waarbij het tegen de laatstgenoemde inbeslagneming ingestelde beklag ongegrond is verklaard (HR LJN BA5611), brengt mee dat de ongegrondverklaring van dat beklag in stand is gebleven en dat de in de strafzaak tegen mr. A inbeslaggenomen voorwerpen onder beslag blijven, aangezien het verschoningsrecht van klager t.a.v. die voorwerpen moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De rechter naar wie de zaak na cassatie zou worden verwezen teneinde het bestaande beklag - dat zich richt tegen het voortduren van het beslag en mede ertoe strekt dat de inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggeven - opnieuw te behandelen en af te doen, zou derhalve indien hij tot het oordeel zou komen dat klager zich in de onderhavige zaak terecht op zijn verschoningsrecht heeft beroepen tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat de gegrondheid van het beklag niet tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager kan leiden omdat die voorwerpen gelet op de genoemde beschikking van de HR van heden onder beslag zullen blijven. Bij die stand van zaken heeft klager er onvoldoende belang bij dat de gegrondheid van het middel over de motivering van de bestreden beschikking tot verwijzing van de zaak zou moeten leiden. Daarom is er ook voor cassatie onvoldoende grond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen