Conclusie A-G Bleichrodt 5 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA4936
1. Vermelding toepasselijke wetsbepalingen voor uitlevering. 2. Vermelding feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan. Ad 1. De bestreden uitspraak houdt als de in art. 28.3 UW voorgeschreven vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen in: “de artikelen 57, 140, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht”. Daarin ligt als oordeel van de rb besloten dat de Wet op de geneesmiddelenvoorziening niet toepasselijk is. De rb was niet gehouden tot nadere motivering van de verwerping van het in het middel bedoelde, niet nader geadstrueerde verweer dat op een aantal van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, naar NL recht de genoemde Wet van toepassing is en dat in zoverre niet is voldaan aan de eis van art. 2.2.a, inz. de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid van het toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen NL en de VS. Ad 2. De bestreden uitspraak bevat i.s.m. art. 28.3 UW niet een voldoende duidelijke vermelding van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. De HR herstelt dit verzuim door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten die zijn omschreven in de door de verzoekende Staat bij het uitleveringsverzoek overgelegde beëdigde verklaring.
De uitspraak op rechtspraak.nl