Conclusie A-G Vellinga 10 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ6182
Betekening appeldagvaarding. De appeldagvaarding is aan de griffier uitgereikt bij gebreke van een bekende woon- of verblijfplaats in NL. Niet blijkt dat, alvorens de appeldagvaarding is betekend, een onderzoek is ingesteld op grond waarvan kon worden aangenomen dat verdachte t.t.v. de betekening stond ingeschreven in een GBA. Voorts heeft het hof geen blijk ervan gegeven te hebben onderzocht of verdachte t.t.v. de betekening was gedetineerd. Een en ander was wel vereist. Het oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is daarom zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Dat leidt tot cassatie. Daarbij verdient opmerking dat de cassatieprocedure zich wel leent voor een onderzoek naar een uit de stukken die ex art. 434.1 Sv aan de HR zijn gezonden rijzend ernstig vermoeden dat de appeldagvaarding niet op de voorgeschreven wijze is betekend, maar niet voor een onderzoek naar gegevens van feitelijke aard die niet uit die stukken blijken, ter ontzenuwing van zo een – door een cassatiemiddel aan de orde gesteld – vermoeden.
De uitspraak op rechtspraak.nl