Conclusie A-G Machielse 13 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3324

OM-cassatie tegen vrijspraak. 1.’s Hofs oordeel dat noch de omstandigheid dat verdachte de ontvoerder een plaats heeft gewezen waar het slachtoffer kon plassen, noch de omstandigheid dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat dit ongezien achter bosjes kon gebeuren, moet worden aangemerkt als een gedraging die heeft bijgedragen aan het van de vrijheid beroofd houden van het slachtoffer, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 48 Sr. Dat oordeel behoefde in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, alwaar geen schriftelijk requisitoir is overgelegd, geen nadere motivering. 2. De klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 48 Sr door onder medeplichtigheid niet te begrijpen - kort gezegd - het wijzen van de rijrichting aan de ontvoerder, steunt op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, zodat zij feitelijke grondslag mist en dus niet tot cassatie kan leiden. Het hof heeft enkel geoordeeld dat geen sprake was van het hier vereiste opzet. 3. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2004, 480. De door het hof aan de vrijspraak gegeven motivering geeft niet blijk van miskenning van het begrip ‘(voorwaardelijk) opzet’, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is. Voor het overige kan die vrijspraak als berustend op ‘s hofs oordeel dat het niet wettig en overtuigend bewezen acht dat het opzet van verdachte was gericht op het van de vrijheid beroofd houden van het slachtoffer, in cassatie niet ten toets komen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen