Conclusie A-G Machielse 16 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3286
Tussenarrest. Verdachte is op 25-9-02 veroordeeld door de ktr t.z.v. een WAM-overtreding begaan op 10-7-01. Hij is op 11-10-05 in zijn appel niet-ontvankelijk verklaard. De verjaringstermijn beloopt i.c. ten hoogste 2x2 jaar. Vooropgesteld moet worden dat verjaring slechts dan kan leiden tot het verval van het recht tot strafvordering indien dat recht (nog) bestaat en dus teloor kan gaan. Dit brengt mee dat de in de art. 70-73 Sr vervatte verjaringsregels geen toepassing vinden indien verdachte een gewoon rechtsmiddel heeft ingesteld tegen een rechterlijke uitspraak maar dit niet heeft gedaan binnen de daartoe in de wet gestelde termijn en die termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. In zo’n geval wordt de uitspraak onherroepelijk na het verstrijken van die termijn en bestaat er t.a.v. het berechte feit vanaf dan geen recht tot strafvordering meer dat door verjaring zou kunnen vervallen. Een andersluidende opvatting zou afbreuk doen aan het gezag van onherroepelijke rechterlijke uitspraken. I.c. betekent dit dat het recht tot strafvordering niet wegens verjaring is vervallen indien het cassatieberoep tegen ’s hofs niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn appel niet slaagt. HR wijst tussenarrest om AG, die concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring, alsnog in de gelegenheid te stellen zich over het middel uit te laten.
De uitspraak op rechtspraak.nl