Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 2 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AU6479
CONCLUSIE PG, Inkomstenbelasting 2001. De drie zaken, waarin ik heden concludeer, hebben betrekking op de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Het geschil in cassatie in de zaak 41.617 betreft allereerst het antwoord op de vraag of de materiële belastingschuld ter zake van inkomen uit sparen en beleggen ontstaat vóór dan wel na afloop van het kalenderjaar. Als deze materiële belastingschuld ontstaat vóór het einde van het kalenderjaar, komt de vraag aan de orde of de betaling daarvan - nog voordat een voorlopige aanslag is vastgesteld, hierna ook: spontane betaling -, leidt tot een verlaging van de rendementsgrondslag. Het geschil in cassatie in de andere twee zaken betreft het antwoord op de vraag of de uitsluiting van belastingschulden bij de bepaling van de rendementsgrondslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving. In verband met de laatste vraag onderzoek ik ambtshalve tevens of premieschulden vallen onder het begrip verplichtingen die voortvloeien uit een belastingwet als bedoeld in artikel 5.3, lid 3, onderdeel a, van de Wet.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 AWR
- Artikel 2 AWR
- Artikel 11 AWR
- Artikel 13 AWR
- Artikel 14 AWR
- Artikel 15 AWR
- Artikel 30f AWR
- Artikel 63 AWR
- Artikel 6:3 BW6
- Artikel 6:203 BW6
- Artikel 2.7 Wet IB 2001
- Artikel 2.11a Wet IB 2001
- Artikel 5.1 Wet IB 2001
- Artikel 5.2 Wet IB 2001
- Artikel 5.3 Wet IB 2001
- Artikel 5.5 Wet IB 2001
- Artikel 5.6 Wet IB 2001
- Artikel 6.1 Wet IB 2001
- Artikel 6.2 Wet IB 2001
- Artikel 9.2 Wet IB 2001